Keur van
章节目录
共 279 题- KEUR VAN NEDERLANDSCHE SYNONIEMEN
- DOOR
- VIERDE, HERZIENE DRUK.
- VOORBERICHT
- BIJ DEN EERSTEN DRUK.
- BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
- BIJ DEN DERDEN DRUK.
- BIJ DEN VIERDEN DRUK.
- 1. Draaglijk--draagbaar.
- 2. Kostbaar--kostelijk.
- 3. Geestelijk--geestig--geestrijk.
- 4. Zorgeloos--onbezorgd.
- 5. Geneigd--genegen.
- 6. Kinderachtig--kinderlijk--kindsch.
- 7. Buigbaar--buigzaam.
- 8. Lijdzaam--lijdelijk.
- 9. Openbaar--openlijk.
- 10. Ontrouw--trouweloos.
- 11. Innerlijk--inwendig--innig.
- 12. Wettig--wettelijk--wettisch.
- 13. Dagelijksch--alledaagsch--daagsch.
- 14. Ruiterlijk--ridderlijk.
- 15. Jong--jeugdig.
- 16. Zuinig--spaarzaam.
- 17. Klooven--klieven.
- 18. Stomp--bot.
- 19. Behandelen--bejegenen.
- 20. Toonen--wijzen.
- 21. Dompelen--doopen.
- 22. Zich vernederen--zich verlagen.
- 23. Danken--wijten.
- 24. Hoedanigheid--eigenschap.
- 25. Aanwezig--tegenwoordig.
- 26. Aansprakelijk--verantwoordelijk.
- 27. Opmerken--aanmerken.
- 28. Afgelegen--eenzaam.
- 29. Oorzaak--reden.
- 30. Naderen--genaken.
- 31. Ongerust--rusteloos--onrustig.
- 32. Ontwennen--afwennen.
- 33. Gehecht--verkleefd--verknocht.
- 34. Loochenen--ontkennen.
- 35. Onpartijdig--onzijdig.
- 36. Talmen--dralen.
- 37. Ontdekken--uitvinden.
- 38. Plagen--kwellen.
- 39. Overeenkomen--overeenstemmen.
- 40. Schaarsch--zeldzaam--zelden.
- 41. Nijgen--buigen.
- 42. Overdrijven--vergrooten.
- 43. Reis--tocht.
- 44. Stom--sprakeloos.
- 45. Vatbaar--geschikt.
- 46. Wijzigen--veranderen.
- 47. Verwelken--verdorren.
- 48. Verzamelen--vergaderen (of vergaren).
- De bijen -- ijverig honig en was. (De honing is her en der verspreid.)
- 49. Week--zacht.
- 50. Breed--ruim--wijd.
- 51. Zeggen--spreken.
- Hij -- met luider stemme: »Blijf, waar gij zijt!"
- 52. Schrik--ontzetting.
- 53. Beloonen--vergelden.
- 54. Slot--einde.
- 55. Hooren--luisteren.
- 56. Frisch--versch.
- 57. Verwaarloozen--verzuimen.
- 58. Haast--spoed--ijl.
- 59. Verwisselen--verruilen (of ruilen).
- 60. Nieuwsgierig--weetgierig--benieuwd.
- 61. Nalaten--achterlaten--overlaten.
- 62. Overtuigen--overreden--overhalen.
- 63. Achting--eerbied--ontzag.
- 64. Betuigen--betoonen--bewijzen.
- 65. Noodzaken--dwingen--dringen.
- 66. Tevreden--vergenoegd.
- 67. Misgunnen--benijden.
- 68. Voorbedachtelijk--opzettelijk.
- 69. Aangezicht--gezicht--gelaat.
- 70. Bepalen--vaststellen.
- Hebt gij de kenmerken van deze plant al --? (Zij waren onbekend!)
- 71. Edelmoedig--grootmoedig.
- 72. Zwoegen--slooven--slaven.
- 73. Plaats--plek--oord.
- 74. Deftig--plechtig--statig.
- 75. Gissen--veronderstellen--vermoeden.
- 76. Aanhouden--volharden--volhouden.
- 77. Dankbaarheid--erkentelijkheid--verplichting.
- 78. Deemoedig--nederig--ootmoedig.
- 79. Dwars--scheef--schuin.
- 80. Overwinning--zege--zegepraal.
- Hoe harder de strijd, hoe grooter de --. (Wat merkt gij hier op?)
- 81. Overrompelen--overvallen--verrassen.
- De vijand heeft de vesting --. (Verklaar nu de drie schakeeringen.)
- 82. Overtollig--overbodig--overdadig.
- 83. Mogelijk--misschien--wellicht.
- 84. Nauw--eng--bekrompen.
- 85. Lichtvaardig--lichtzinnig--luchthartig.
- 86. Duister--donker--somber.
- 87. Verlies--schade--afbreuk--nadeel.
- 88. Nadoen--navolgen--nabootsen--naäpen.
- 89. Bekoren--verrukken--vervoeren.
- 90. Gebieden--gelasten--bevelen.
- 91. Armzalig--ellendig--kommervol.
- 92. Mistrouwen--wantrouwen--verdenken.
- 93. Argwaan--achterdocht--kwaad vermoeden.
- 94. Arm--armoedig--behoeftig--nooddruftig.
- 95. Afnemen--afbeuren--aflichten--afzetten.
- 96. Pracht--praal--pronk--luister.
- 97. Barsch--stug--stuursch--norsch.
- 98. Afslaan--afhakken--afhouwen--afkappen.
- 99. Gooien--werpen--smijten.
- 100. Voorgeven--beweren--voorwenden.
- 101. Regeeren--besturen--heerschen.
- 102. Aandachtig--oplettend--opmerkzaam.
- 103. Bouwen--opslaan--oprichten--stichten.
- 104. Befaamd--beroemd--berucht--vermaard.
- 105. Bedriegen--misleiden--verschalken--foppen.
- 106. Babbelen--praten--kouten--snappen--kakelen.
- 107. Sterven--overlijden--doodgaan--ontslapen.
- 108. Vlijtig--ijverig--naarstig--nijver.
- 109. Afslaan--afweren.
- 110. Alom--overal--allerwegen.
- God is -- tegenwoordig. (Waarom is dit woord beter dan _overal_?)
- 111. Aankondigen--voorspellen--voorzeggen.
- Een kring om de maan -- regen en wind. (Niet _zeker_!)
- 112. Buitenlandsch--uitheemsch--vreemd.
- 113. Bekennen--belijden.
- 114. Aanroepen--bidden--smeeken.
- 115. Afstand--verte--verwijdering.
- Hij bleef steeds op een eerbiedigen --. (Waarom niet _verte_?)
- 116. Eeuwig--eindeloos--oneindig.
- 117. Begrijpen--beseffen--bevatten--verstaan.
- 118. Driftig--oploopend--opvliegend.
- 119. Bedroefd--droevig--treurig--bedrukt.
- In Friesland heerschen nog -- toestanden. (Waarom niet _droevig_?)
- 120. Aanvaarden--aannemen--op zich nemen--ontvangen.
- 121. Zwerven--dolen--dwalen.
- 122. Gemeen--laag--ruw--plat.
- 123. Neigen--hellen--overhellen--overhangen.
- 124. Durven--wagen--zich verstouten--zich vermeten.
- 125. Doorgaans--gewoonlijk--meestal.
- 126. Volledig--volkomen--volmaakt.
- 127. Vlieten--vloeien--stroomen.
- 128. Vleugel--vlerk--wiek.
- 129. Vernielen--verwoesten--vernietigen.
- 130. Overeenkomst--verdrag--verbond.
- 131. Uitdenken--verzinnen--verdichten.
- 132. Straffen--bestraffen--tuchtigen--kastijden.
- 133. Smart--verdriet--hartzeer--leed.
- 134. Behoedzaam--voorzichtig--omzichtig.
- 135. Altijd--altoos--steeds--immer--gedurig.
- 136. Intrekken--afschaffen--herroepen.
- 137. Achteloos--onachtzaam--onoplettend--slordig.
- 138. Afgunst--wangunst--nijd--naijver.
- 139. Laken--berispen--gispen--vitten--bedillen.
- 140. Bedaard--rustig--bezadigd--kalm.
- 141. Barst--scheur--spleet--kloof.
- 142. Ambacht--beroep--bedrijf--handwerk--nering.
- 143. Ambt--waardigheid--bediening--post.
- 144. Wachten--verwachten--afwachten--verbeiden.
- 145. Afkeeren--afleiden--afwenden--aftrekken.
- 146. Afschrijven--naschrijven--overschrijven--uitschrijven.
- 147. Aantreffen--ontmoeten--tegenkomen--vinden.
- 148. Aanstonds--dadelijk--terstond--weldra--spoedig--gauw.
- 149. Dom--onwetend--onkundig--onnoozel.
- 150. Dartel--speelsch--speelziek--uitgelaten.
- 151. Mat--moe--vermoeid--afgemat--loom.
- 152. Klimmen--klauteren--stijgen--rijzen.
- 153. Aandoen--treffen--roeren--schokken.
- 154. Verwonderen--verbazen--bevreemden--verrassen.
- 155. Beheerschen--betoomen--beteugelen--bedwingen.
- 156. Aanklagen--beschuldigen--betichten--aangeven--aanbrengen.
- 157. Gierig--vrekkig--karig--hebzuchtig--schraapzuchtig--inhalig.
- 158. Afkeer--afgrijzen--afschrik--afschuw--walg--tegenzin--weerzin.
- 159. Arglistig--listig--bedriegelijk--loos--slim--sluw.
- 160. Kracht--macht--sterkte--vermogen.
- 161. Bekomen--krijgen--ontvangen--behalen--verwerven.
- 162. Barmhartig--deelnemend--mededoogend--medelijdend.
- 163. Beven--trillen--sidderen--rillen--bibberen.
- 164. Zien--kijken--staren--gluren--turen.
- Gij moet eens in de courant --, of de dichter nog leeft. (Opzettelijk.)
- Daar -- ik in de courant, dat de dichter gestorven is. (Toevallig.)
- 165. Aangenaam--liefelijk--behaaglijk--bekoorlijk--bevallig.
- 166. Angst--bangheid--vrees--schroom--schrik.
- 167. Beducht--bevreesd--bekommerd--bezorgd--beangst.
- 168. Bewaren--behoeden--beschermen--beschutten--beveiligen.
- 170. Bestendig--duurzaam--onveranderlijk--standvastig--langdurig.
- 171. Buit--prijs--prooi--roof--vangst.
- 172. Bedenkelijk--zorgelijk--hachelijk--gevaarlijk.
- 173. Dapper--moedig--stout--onbevreesd--onverschrokken--onversaagd.
- 174. Spijt--leedwezen--berouw--wroeging.
- 176. Gedachtenis--nagedachtenis--aandenken--herinnering.
- 177. Bekwaam--geschikt--kundig--knap.
- 178. Draaien--keeren--wenden--wentelen.
- 179. Lomp--onbeleefd--onbeschoft--ongemanierd.
- 180. Ochtend--morgen--dageraad--het krieken van den dag.
- 181. Dalen--vallen--storten--zinken--zakken.
- 182. Hoogmoedig--hoovaardig--grootsch--trotsch--ijdel--fier--prat.
- 183. Eischen--vorderen--vergen--verlangen.
- Ik -- oogenblikkelijk binnengelaten te worden. (Meer woorden?)
- Deze arbeid -- veel tijd. (Figuurlijk.)
- 184. Aarzelen--schromen--weifelen--in twijfel staan--zich bedenken.
- 185. Blijdschap--vreugde--vroolijkheid--genoegen--verrukking.
- 186. Boosheid--drift--toorn--woede--razernij.
- 187. Omslachtig--breedvoerig--uitvoerig--omstandig--wijdloopig.
- AANHANGSEL.[1]
- 189. Opbeuren--troosten.
- 190. Oponthoud--vertraging.
- 191. Verlichten--beschaven.
- 192. Achten--waardeeren.
- 193. Uitdeelen--verdeelen.
- 194. Vermeesteren--bemachtigen.
- 195. Bezitten--hebben.
- 196. Bloem--bloesem.
- 197. Eer--roem.
- 198. Ontberen--missen.
- 199. Ontwaken--wakker worden.
- 200. Vlieden--vluchten.
- 201. Kosten--gelden.
- 202. Leugen--onwaarheid.
- 203. Nazetten--vervolgen.
- 204. Rust--stilte.
- 205. Sturen--zenden.
- 206. Schuldeloos--onschuldig.
- 207. Verdraagzaam--vreedzaam.
- 208. Voorlooper--voorbode.
- 209. Getuige--zegsman.
- 210. Betreffen--raken--aangaan.
- 211. Aanprijzen--prijzen--aanbevelen.
- 212. Bevrijden--verlossen--redden.
- 213. Gedenkwaardig--merkwaardig--belangrijk.
- 214. Wildernis--woestijn--woestenij.
- 215. Zwoel--warm--heet.
- 216. Versagen--wanhopen--vertwijfelen.
- 217. Oud--bejaard--bedaagd--afgeleefd.
- 218. Aandeel--deel--gedeelte--stuk.
- 219. Bezigheid--arbeid--werk--werkzaamheid.
- 220. Uitvoeren--volvoeren--volbrengen--voleindigen.
- 221. Uitleggen--verklaren--verduidelijken--uiteenzetten.
- 222. Baan--weg--straat--pad.
- 223. Afnemen--vervallen--verminderen.
- 224. Uitstaan--doorstaan--verdragen--lijden--dulden.
- 225. Geven--mededeelen--schenken--vereeren--aanbieden--verleenen.
- 226. Ontvluchten--ontgaan--ontkomen--ontloopen--ontsnappen--ontwijken.
- 227. Gering--klein--weinig--nietig.
- 228. Bemiddeld--gegoed--vermogend--welgesteld--rijk.
- 229. Begeeren--verlangen--wenschen--smachten--haken--reikhalzen.
- 230. Bijdragen--helpen--bevorderen.
- 231. Afstamming--geslacht--afkomst--geboorte.
- 232. Omweg--zijweg--uitweg.
- 233. Aantal--getal--tal--menigte--hoeveelheid.
- 234. Branden--flikkeren--laaien--gloeien--glimmen.
- 235. Onstuimig--heftig--wild.
- 236. Vertalen--overzetten--vertolken.
- REGISTER.
- A.
- B.
- D.
- E.
- F.
- G.
- H.
- I.
- J.
- K.
- L.
- M.
- N.
- O.
- P.
- R.
- S.
- T.
- U.
- V.
- W.
- IJ.
- Z.