_Op alle plaatsen._
~Alom~ wijst de ruimte in haar geheel aan. _De tijding verspreidde zich
~alom~_, d.w.z. naar alle zijden over de geheele ruimte.
~Overal~ ziet meer op elke plaats afzonderlijk, die men zich in die
ruimte denkt. _De tijding drong ~overal~ door_: d.w.z. op alle plaatsen,
geen enkele uitgezonderd, werd de tijding bekend.
~Allerwegen~ wil eigenlijk zeggen: op alle wegen of zijden, en bij
uitbreiding op alle plaatsen. ~Overal~ kan een werking zóó voorstellen,
dat zij _achtereenvolgens_ iedere plaats bereikt, geen enkele
uitgezonderd; ~allerwegen~ wijst meer aan, dat de werking _gelijktijdig_
op alle plaatsen voorkomt, al is er misschien ook een enkele plaats
(niet aan de _wegen_ gelegen) overgeslagen. _~Allerwegen~ heerschte er
een bedrijvige drukte._--Worden ~overal~ en ~allerwegen~ voor elkander
gebruikt, wat vaak voorkomt, dan is ~overal~ sterker, daar het geen
uitzondering duidt. _Ik heb hem ~overal~ gezocht, maar nergens
gevonden.--Deze gewoonte vindt gij anders ~allerwegen~._
* * * * *