110. Alom--overal--allerwegen.

_Op alle plaatsen._

~Alom~ wijst de ruimte in haar geheel aan. _De tijding verspreidde zich

~alom~_, d.w.z. naar alle zijden over de geheele ruimte.

~Overal~ ziet meer op elke plaats afzonderlijk, die men zich in die

ruimte denkt. _De tijding drong ~overal~ door_: d.w.z. op alle plaatsen,

geen enkele uitgezonderd, werd de tijding bekend.

~Allerwegen~ wil eigenlijk zeggen: op alle wegen of zijden, en bij

uitbreiding op alle plaatsen. ~Overal~ kan een werking zóó voorstellen,

dat zij _achtereenvolgens_ iedere plaats bereikt, geen enkele

uitgezonderd; ~allerwegen~ wijst meer aan, dat de werking _gelijktijdig_

op alle plaatsen voorkomt, al is er misschien ook een enkele plaats

(niet aan de _wegen_ gelegen) overgeslagen. _~Allerwegen~ heerschte er

een bedrijvige drukte._--Worden ~overal~ en ~allerwegen~ voor elkander

gebruikt, wat vaak voorkomt, dan is ~overal~ sterker, daar het geen

uitzondering duidt. _Ik heb hem ~overal~ gezocht, maar nergens

gevonden.--Deze gewoonte vindt gij anders ~allerwegen~._

* * * * *

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 123 / 279 题