_Door middel van het gezicht iets waarnemen._
~Zien~ laat in het midden, of dit met opzet of meer toevallig geschiedt.
_Men ~ziet~ daar soms meer, dan ons lief is_ (toevallig).--_Hij ~ziet~
verlangend mijn komst tegemoet_ (met opzet). Het duidt soms ook het
bloote vermogen aan, dat men door 't gezichtszintuig iets kan waarnemen:
_Deze man kan niet meer ~zien~._
~Kijken~ onderstelt meer opzettelijk het oog op iets richten: _~Kijk~
eens, of hij er aankomt.--Hij ~kijkt~ naar de sterren._
~Staren~ (star = stijf) beteekent met strakke, groote oogen naar iets
zien, meestal zonder doel en onwillekeurig, soms ook van verbazing,
schrik, enz. _Hij ~staarde~ mij verwonderd aan._
~Turen~ is met inspanning van 't gezicht naar iets kijken (dus met
opzet!), 't zij uit nieuwsgierigheid, 't zij om nauwkeurig waar te
nemen. _Hij ~tuurt~ met zijn kijker naar het stipje in de verte._
~Gluren~ beteekent hetzelfde als turen, maar met de bijgedachte, dat dit
in het geheim geschiedt. _Hij ~gluurde~ door een kiertje van de deur, om
te weten, wie er binnen was._
* * * * *
Wat -- gij voor bijzonders aan deze schilderij?
Sommigen meenen, dat de mol niet -- kan; maar dat is een dwaling.
Waarom -- gij mij zoo aanhoudend aan?
De visschersvrouw zat op het duin en -- peinzend over de groote
watervlakte.
De visschersvrouw klom op het duin en -- naar het puntje aan den
horizon, of dat soms het schip van haar man was.
De jongen was zóó nieuwsgierig, dat hij door het sleutelgat --.
Mijnheer B. zal toch niet overleden zijn, daar ik hem in langen tijd
niet -- heb.
Als gij goed uit uw oogen --, zult gij de fout in uw opstel wel --.
Van ontzetting -- zij wezenloos voor zich uit.
De matroos zat in het topje van den mast te --, of hij het land al --
kon.
Ik -- wel, dat gij door uw vingers zit te --.
Als gij lang op hetzelfde punt --, begint het te wemelen.