111. Aankondigen--voorspellen--voorzeggen.

_Iets toekomstigs te kennen geven._

~Aankondigen~ is iets vooruit te kennen geven, dat volgens zeer gewone

of natuurlijke oorzaken plaats hebben moet. _De plotselinge daling van

den barometer ~kondigt~ storm ~aan~._ Soms is het begrip van tijd zoo

goed als geheel weggevallen, zoodat aankondigen dan eenvoudig beteekent:

bekend maken met iets, dat terstond zal gebeuren. _De heraut ~kondigde~

met trompetgeschal de komst des konings ~aan~._

~Voorspellen~ duidt mindere zekerheid aan, daar het voorspelde meer

op bloote vermoedens, op volksgeloof, enz. berust. _De waarzegger

~voorspelt~ de toekomst. Een goed notenjaar ~voorspelt~ een strengen

winter._

~Voorzeggen~ beteekent: vooruit _zeggen_, dat iets zeker gebeuren zal,

en kan dus alleen door God of door Zijn gezanten gedaan worden. (Het

woord kan dus niet toegepast worden op zaken, zooals met _aankondigen_

en _voorspellen_ wel het geval is, bijv. een daling van den barometer

kan niet _voorzeggen_.) _De geboorte van Jezus was reeds eeuwenlang

~voorzegd~_ (nl. door de profeten). Het woord wordt alleen in deftigen

stijl gebruikt.

* * * * *

Door de terugkomst der zwaluw wordt de lente --.

Deze geleerde beweert, dat hij het weder een maand vooruit kan --.

Drie harde slagen op de deur --, dat er iets bijzonders gebeurd was.

»O zaalge Kerstnacht, ons zoo lang --!"

Eensklaps ging de wind liggen en dit scheen een orkaan --.

Zijn gefronst gelaat -- weinig goeds.

Het kanongebulder -- de geboorte van een prins aan.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 125 / 279 题