_Iets toekomstigs te kennen geven._
~Aankondigen~ is iets vooruit te kennen geven, dat volgens zeer gewone
of natuurlijke oorzaken plaats hebben moet. _De plotselinge daling van
den barometer ~kondigt~ storm ~aan~._ Soms is het begrip van tijd zoo
goed als geheel weggevallen, zoodat aankondigen dan eenvoudig beteekent:
bekend maken met iets, dat terstond zal gebeuren. _De heraut ~kondigde~
met trompetgeschal de komst des konings ~aan~._
~Voorspellen~ duidt mindere zekerheid aan, daar het voorspelde meer
op bloote vermoedens, op volksgeloof, enz. berust. _De waarzegger
~voorspelt~ de toekomst. Een goed notenjaar ~voorspelt~ een strengen
winter._
~Voorzeggen~ beteekent: vooruit _zeggen_, dat iets zeker gebeuren zal,
en kan dus alleen door God of door Zijn gezanten gedaan worden. (Het
woord kan dus niet toegepast worden op zaken, zooals met _aankondigen_
en _voorspellen_ wel het geval is, bijv. een daling van den barometer
kan niet _voorzeggen_.) _De geboorte van Jezus was reeds eeuwenlang
~voorzegd~_ (nl. door de profeten). Het woord wordt alleen in deftigen
stijl gebruikt.
* * * * *
Door de terugkomst der zwaluw wordt de lente --.
Deze geleerde beweert, dat hij het weder een maand vooruit kan --.
Drie harde slagen op de deur --, dat er iets bijzonders gebeurd was.
»O zaalge Kerstnacht, ons zoo lang --!"
Eensklaps ging de wind liggen en dit scheen een orkaan --.
Zijn gefronst gelaat -- weinig goeds.
Het kanongebulder -- de geboorte van een prins aan.