234. Branden--flikkeren--laaien--gloeien--glimmen.

_Onder lichtverschijnselen verbranden._

~Branden~ zegt dit vooral met de bijgedachte, dat er tevens warmte

ontwikkeld wordt; dus ook fig.: _~brandend~ heet_. ~Flikkeren~ ziet

op het heen en weer bewegen van de vlam; zijn de vlammen zeer groot en

hoog, dan spreekt men van ~laaien~: _een ~laaiende~ brand_; ~gloeien~

is vurig, maar zonder vlam lichten, ook als het niet van vuur afkomstig

is; soms ziet het op het pijnlijk warmtegevoel: _een ~gloeiend~

voorhoofd_.--~Glimmen~ is zwak gloeien: _~glimmende~ kolen, een

~glim~worm_.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 253 / 279 题