_Onder lichtverschijnselen verbranden._
~Branden~ zegt dit vooral met de bijgedachte, dat er tevens warmte
ontwikkeld wordt; dus ook fig.: _~brandend~ heet_. ~Flikkeren~ ziet
op het heen en weer bewegen van de vlam; zijn de vlammen zeer groot en
hoog, dan spreekt men van ~laaien~: _een ~laaiende~ brand_; ~gloeien~
is vurig, maar zonder vlam lichten, ook als het niet van vuur afkomstig
is; soms ziet het op het pijnlijk warmtegevoel: _een ~gloeiend~
voorhoofd_.--~Glimmen~ is zwak gloeien: _~glimmende~ kolen, een
~glim~worm_.