_Een voorgevoel hebben, dat men bedrogen wordt._
Alle drie drukken uit, dat men niet zeker is, of iemand ons bedriegen
wil. ~Argwaan~ duidt vooral aan, dat men steeds bevreesd is door ieder
bedrogen te zullen worden; argwanend te zijn ligt dus meer in iemands
karakter. ~Achterdocht~ onderstelt, dat men tegen een bepaald persoon
zulk een argwaan meent te moeten koesteren. Ontdekt de achterdochtige
een of ander feit, dat zijn vrees versterkt, dan spreekt men van ~kwaad
vermoeden~. Een gierigaard koestert tegen iedereen _argwaan_; hij wordt
_achterdochtig_, als iemand hem zeer vriendelijk bejegent--in zijn
gedachten ziet hij reeds een aanval op zijn beurs gedaan--en hij vat een
_kwaad vermoeden_ tegen iemand op, als hij dezen _meent_ betrapt te
hebben op een oneerlijkheid.
* * * * *
Doordat hij vroeger door zijn besten vriend verraden is, koestert hij
thans tegen iedereen, die hem eenigszins voorkomend behandelt, --.
Door het ongunstig uiterlijk van den vreemdeling vatte ik reeds terstond
-- tegen hem op.
Nauwelijks was de nieuwe huisknecht een paar dagen in dienst, of er was
een zilveren lepel zoek; geen wonder dat er tegen hem -- rees.