93. Argwaan--achterdocht--kwaad vermoeden.

_Een voorgevoel hebben, dat men bedrogen wordt._

Alle drie drukken uit, dat men niet zeker is, of iemand ons bedriegen

wil. ~Argwaan~ duidt vooral aan, dat men steeds bevreesd is door ieder

bedrogen te zullen worden; argwanend te zijn ligt dus meer in iemands

karakter. ~Achterdocht~ onderstelt, dat men tegen een bepaald persoon

zulk een argwaan meent te moeten koesteren. Ontdekt de achterdochtige

een of ander feit, dat zijn vrees versterkt, dan spreekt men van ~kwaad

vermoeden~. Een gierigaard koestert tegen iedereen _argwaan_; hij wordt

_achterdochtig_, als iemand hem zeer vriendelijk bejegent--in zijn

gedachten ziet hij reeds een aanval op zijn beurs gedaan--en hij vat een

_kwaad vermoeden_ tegen iemand op, als hij dezen _meent_ betrapt te

hebben op een oneerlijkheid.

* * * * *

Doordat hij vroeger door zijn besten vriend verraden is, koestert hij

thans tegen iedereen, die hem eenigszins voorkomend behandelt, --.

Door het ongunstig uiterlijk van den vreemdeling vatte ik reeds terstond

-- tegen hem op.

Nauwelijks was de nieuwe huisknecht een paar dagen in dienst, of er was

een zilveren lepel zoek; geen wonder dat er tegen hem -- rees.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 106 / 279 题