_Met kracht een deel van het geheel scheiden._
~Afslaan~ gebruikt men, wanneer de scheiding door de kracht van het
slaan tot stand komt zonder op het werktuig te letten, bijv. een oor van
een pot afslaan (met een hamer, een steen, een stok, enz.). ~Afhakken~,
~afkappen~ en ~afhouwen~ onderstellen, dat de werking met een scherp
werktuig geschiedt, vooral met een bijl of zwaard. ~Afhakken~ duidt aan,
dat men herhaaldelijk het werktuig moet gebruiken, terwijl ~afhouwen~
aanwijst, dat slechts eén slag met het scherpe werktuig noodig is. Bij
~afkappen~ ziet men meer op de uiteinden, die door het hakken of houwen
van het voorwerp worden gescheiden: bijv. _de takken ~afkappen~_.
* * * * *
Wie heeft de vergulde knoppen van het hek --?
In vroegeren tijd werden den meineedigen de vingers --.
Het zwaard van den beul bleek niet scherp genoeg, om den veroordeelde
het hoofd --.
Gij moet deze dikke takken laten --, zij benemen u te veel licht.
Met dezen stok kunt gij gemakkelijk de appels --.
Wie zou van nacht zoo laag zijn geweest om al de koppen der coniferen
moedwillig te hebben --?