_Zorgen, dat geen kwaad iemand of iets kan deren._
De beide eerste woorden worden alleen gebruikt, om aan te wijzen, dat er
gevaar dreigen _kan_, de overige drie onderstellen, dat er werkelijk
gevaar dreigt.
~Bewaren~ is zorgen, dat iets in ongeschonden staat blijft, dat dus geen
schadelijke invloeden op iets kunnen werken, m. a. w. dat het gevaar
verre blijft. _~Bewaar~ dit boek goed.--Moogt gij voor zulk een ramp
~bewaard~ blijven!_ d. w. z. moge zulk een ramp verre van u blijven.
~Behoeden~ onderstelt ook wel hetzelfde als bewaren, maar voegt er
tevens bij, dat men op zijn hoede is, dus dat men voortdurend het ons
toevertrouwde in het oog houdt; dientengevolge is het sterker dan
bewaren. _God ~behoede~ u op uw verren tocht!_
~Beschermen~ en ~beschutten~ duiden beiden aan, dat er een _middel_
gebruikt wordt, nl. een scherm en een schut, om het gevaar te keeren.
Een scherm houdt de _uitwerking_ van iets tegen (vuurscherm), een schut
moet meer den _aanvaller_ afweren. _De Alpen ~beschutten~ de Povlakte
tegen de noordenwinden.--De duinen ~beschermen~ ons land tegen de zee_
(nl. haar overstrooming). Het gebruik wil echter, dat ~beschutten~ meer
op schadelijke invloeden en ~beschermen~ meer op gevaren ziet: _Gij moet
u tegen den kouden wind ~beschutten~.--Ik zal u tegen dit gevaar
~beschermen~._
~Beveiligen~ wijst aan, dat iets in veiligheid komt of blijft, terwijl
beschermen en beschutten nog altijd eenig gevaar onderstellen. _In zijn
afzondering was hij volkomen ~beveiligd~ tegen zijn vijanden._--Het is
dus sterker dan beschermen of beschutten.
* * * * *
Het was de moederliefde, die u in uw jeugd tegen velerlei gevaren heeft
--.
Door de goede zorgen van den archivaris werden deze perkamenten
oorkonden voor ondergang --.
Op het stadhuis waren eertijds de oorkonden in ijzeren kisten vrij goed
--.
De bliksemafleider heeft den toren opnieuw --.
Het is guur weer; gij moogt u wel wat tegen den noordenwind --.
In de haven waren wij eindelijk -- tegen de aanvallen der roovers.
Wien God --, is wel --.
Een sterk geleide moest den koenen ontdekkingsreiziger in de
binnenlanden tegen de wilde stammen --.
Door de uitvinding van het buskruit waren de ridders niet langer op hun
sterke kasteelen tegen de aanvallen der poorters --.
De voortdurende waakzaamheid der poortwachters heeft de stad voor haar
ondergang --.
De duinen worden thans met helm beplant, om ze tegen verstuiving te --.
De koning wist het land voor een omwenteling te --.
Onder het dichte loover waren wij tegen de brandende zonnestralen
uitstekend --.
169. Beletten--verhinderen--tegenhouden of
weerhouden--afhouden--terughouden.
_Veroorzaken, dat iemand een of andere handeling niet kan verrichten._
~Afhouden~ zegt, dat men iemand ergens vandaan houdt, zoodat hij niet
met zijn daad kan beginnen. _Wij hebben hem van dit dwaze plan
~afgehouden~._
~Terughouden~ wijst er op, dat hij wel reeds bijna aan de behandeling
begonnen is, maar dat hij door onze tusschenkomst niet verder kan komen.
_Slechts met groote moeite slaagde ik er in, hem nog ter elfder ure van
die dwaze onderneming ~terug te houden~._
~Tegenhouden~ ziet er op, dat men iemand hindernissen in den weg
legt (bij _~afhouden~_ en _~terughouden~_ gebruikt men meer dwang of
overreding), evenals ~verhinderen~ (van _hinder_), zoodat men hem tracht
te noodzaken van zijn plan af te zien; ~tegenhouden~ wordt van den
persoon zelf gezegd, terwijl ~verhinderen~ meer slaat op de daad, die
men wil voorkomen. _Hij liet zich door al de bezwaren, die hem in den
weg gelegd werden, niet ~tegenhouden~, zijn plan te volvoeren.--De
veldheer wist te ~verhinderen~, dat de vijand hem in den rug aanviel._
Terwijl ~tegenhouden~ en ~verhinderen~ onderstellen, dat iemand
reeds pogingen gedaan heeft om iets te bereiken, maar in de verdere
voortzetting wordt gestuit, wijst ~beletten~ er op, dat hem zelfs die
poging onmogelijk gemaakt is; het woord is dus sterker dan de eerste
twee. _De veldheer wist te ~beletten~, dat de vijand hem in den rug
aanviel._
* * * * *
Na lang praten gelukte het ons, hem van zijn voornemen, om naar Amerika
te vertrekken, --.
Ga gerust uw gang, niets -- u, die reis naar Indië te doen.
Te Marseille gekomen werd hij --, zijn reis naar Indië voort te zetten.
Doordat de onzen tijdig waren gewaarschuwd, werd de vijand -- de stad te
verrassen.
Door het dappere gedrag van den Kroonprins bij Quatre-Bras werd het
Fransche leger een dag in zijn opmarsch --.
Door hem nog tijdig gevangen te nemen, heeft de politie hem -- te
ontvluchten.
Door de ingevallen koude werd hij -- nog tijdig de vergadering te
bereiken.
Zijn verkoudheid -- hem niet uit te gaan.
Men moet den dronkaard van den ondergang, dien hij tegemoet gaat, --.
Wij hebben hem gelukkig nog bijtijds --, dat hij er met ons geld van
doorging.
De voorzitter wilde het voorstel liever niet in stemming brengen, maar
hij was door de oppositie niet in staat de stemming --.