168. Bewaren--behoeden--beschermen--beschutten--beveiligen.

_Zorgen, dat geen kwaad iemand of iets kan deren._

De beide eerste woorden worden alleen gebruikt, om aan te wijzen, dat er

gevaar dreigen _kan_, de overige drie onderstellen, dat er werkelijk

gevaar dreigt.

~Bewaren~ is zorgen, dat iets in ongeschonden staat blijft, dat dus geen

schadelijke invloeden op iets kunnen werken, m. a. w. dat het gevaar

verre blijft. _~Bewaar~ dit boek goed.--Moogt gij voor zulk een ramp

~bewaard~ blijven!_ d. w. z. moge zulk een ramp verre van u blijven.

~Behoeden~ onderstelt ook wel hetzelfde als bewaren, maar voegt er

tevens bij, dat men op zijn hoede is, dus dat men voortdurend het ons

toevertrouwde in het oog houdt; dientengevolge is het sterker dan

bewaren. _God ~behoede~ u op uw verren tocht!_

~Beschermen~ en ~beschutten~ duiden beiden aan, dat er een _middel_

gebruikt wordt, nl. een scherm en een schut, om het gevaar te keeren.

Een scherm houdt de _uitwerking_ van iets tegen (vuurscherm), een schut

moet meer den _aanvaller_ afweren. _De Alpen ~beschutten~ de Povlakte

tegen de noordenwinden.--De duinen ~beschermen~ ons land tegen de zee_

(nl. haar overstrooming). Het gebruik wil echter, dat ~beschutten~ meer

op schadelijke invloeden en ~beschermen~ meer op gevaren ziet: _Gij moet

u tegen den kouden wind ~beschutten~.--Ik zal u tegen dit gevaar

~beschermen~._

~Beveiligen~ wijst aan, dat iets in veiligheid komt of blijft, terwijl

beschermen en beschutten nog altijd eenig gevaar onderstellen. _In zijn

afzondering was hij volkomen ~beveiligd~ tegen zijn vijanden._--Het is

dus sterker dan beschermen of beschutten.

* * * * *

Het was de moederliefde, die u in uw jeugd tegen velerlei gevaren heeft

--.

Door de goede zorgen van den archivaris werden deze perkamenten

oorkonden voor ondergang --.

Op het stadhuis waren eertijds de oorkonden in ijzeren kisten vrij goed

--.

De bliksemafleider heeft den toren opnieuw --.

Het is guur weer; gij moogt u wel wat tegen den noordenwind --.

In de haven waren wij eindelijk -- tegen de aanvallen der roovers.

Wien God --, is wel --.

Een sterk geleide moest den koenen ontdekkingsreiziger in de

binnenlanden tegen de wilde stammen --.

Door de uitvinding van het buskruit waren de ridders niet langer op hun

sterke kasteelen tegen de aanvallen der poorters --.

De voortdurende waakzaamheid der poortwachters heeft de stad voor haar

ondergang --.

De duinen worden thans met helm beplant, om ze tegen verstuiving te --.

De koning wist het land voor een omwenteling te --.

Onder het dichte loover waren wij tegen de brandende zonnestralen

uitstekend --.

169. Beletten--verhinderen--tegenhouden of

weerhouden--afhouden--terughouden.

_Veroorzaken, dat iemand een of andere handeling niet kan verrichten._

~Afhouden~ zegt, dat men iemand ergens vandaan houdt, zoodat hij niet

met zijn daad kan beginnen. _Wij hebben hem van dit dwaze plan

~afgehouden~._

~Terughouden~ wijst er op, dat hij wel reeds bijna aan de behandeling

begonnen is, maar dat hij door onze tusschenkomst niet verder kan komen.

_Slechts met groote moeite slaagde ik er in, hem nog ter elfder ure van

die dwaze onderneming ~terug te houden~._

~Tegenhouden~ ziet er op, dat men iemand hindernissen in den weg

legt (bij _~afhouden~_ en _~terughouden~_ gebruikt men meer dwang of

overreding), evenals ~verhinderen~ (van _hinder_), zoodat men hem tracht

te noodzaken van zijn plan af te zien; ~tegenhouden~ wordt van den

persoon zelf gezegd, terwijl ~verhinderen~ meer slaat op de daad, die

men wil voorkomen. _Hij liet zich door al de bezwaren, die hem in den

weg gelegd werden, niet ~tegenhouden~, zijn plan te volvoeren.--De

veldheer wist te ~verhinderen~, dat de vijand hem in den rug aanviel._

Terwijl ~tegenhouden~ en ~verhinderen~ onderstellen, dat iemand

reeds pogingen gedaan heeft om iets te bereiken, maar in de verdere

voortzetting wordt gestuit, wijst ~beletten~ er op, dat hem zelfs die

poging onmogelijk gemaakt is; het woord is dus sterker dan de eerste

twee. _De veldheer wist te ~beletten~, dat de vijand hem in den rug

aanviel._

* * * * *

Na lang praten gelukte het ons, hem van zijn voornemen, om naar Amerika

te vertrekken, --.

Ga gerust uw gang, niets -- u, die reis naar Indië te doen.

Te Marseille gekomen werd hij --, zijn reis naar Indië voort te zetten.

Doordat de onzen tijdig waren gewaarschuwd, werd de vijand -- de stad te

verrassen.

Door het dappere gedrag van den Kroonprins bij Quatre-Bras werd het

Fransche leger een dag in zijn opmarsch --.

Door hem nog tijdig gevangen te nemen, heeft de politie hem -- te

ontvluchten.

Door de ingevallen koude werd hij -- nog tijdig de vergadering te

bereiken.

Zijn verkoudheid -- hem niet uit te gaan.

Men moet den dronkaard van den ondergang, dien hij tegemoet gaat, --.

Wij hebben hem gelukkig nog bijtijds --, dat hij er met ons geld van

doorging.

De voorzitter wilde het voorstel liever niet in stemming brengen, maar

hij was door de oppositie niet in staat de stemming --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 187 / 279 题