_Een werking ten einde brengen._
~Uitvoeren~ zegt, dat alles, wat tot de werking behoort, gedaan wordt,
om het beoogde doel te bereiken: _een plan ~uitvoeren~_. ~Volbrengen~
en ~volvoeren~ wijzen meer op het algeheele beëindigen van het werk:
~volbrengen~ let daarbij meer op de werkzaamheid van den bewerker: _de
aarde ~volbrengt~ haar loop om de zon in een jaar_, terwijl ~volvoeren~
meer het welslagen van een moeilijk werk op den voorgrond stelt: _Een
grootsch werk ~volvoeren~._ ~Voleindigen~ beteekent: het werk ten einde
brengen en het tevens den hoogst mogelijken graad van volkomenheid
geven: _Na twee jaar had de schilder het altaarstuk ~voleindigd~._