220. Uitvoeren--volvoeren--volbrengen--voleindigen.

_Een werking ten einde brengen._

~Uitvoeren~ zegt, dat alles, wat tot de werking behoort, gedaan wordt,

om het beoogde doel te bereiken: _een plan ~uitvoeren~_. ~Volbrengen~

en ~volvoeren~ wijzen meer op het algeheele beëindigen van het werk:

~volbrengen~ let daarbij meer op de werkzaamheid van den bewerker: _de

aarde ~volbrengt~ haar loop om de zon in een jaar_, terwijl ~volvoeren~

meer het welslagen van een moeilijk werk op den voorgrond stelt: _Een

grootsch werk ~volvoeren~._ ~Voleindigen~ beteekent: het werk ten einde

brengen en het tevens den hoogst mogelijken graad van volkomenheid

geven: _Na twee jaar had de schilder het altaarstuk ~voleindigd~._

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 239 / 279 题