_Geen rust hebbende._
~Rusteloos~ duidt aan, dat de werking zonder rust, zonder ophouden
voortduurt. _~Rusteloos~ arbeidde hij aan zijn grootsche taak voort._
~Onrustig~ wijst aan, dat er geen rust, d.i. geen kalmte of bedaardheid
aanwezig is: _Een ~onrustige~ slaap. Met ~onrustige~ blikken zag de
schuldige om zich, als vreesde hij elk oogenblik gegrepen te worden._
Het woord komt dus vrijwel overeen met gejaagd.
~Ongerust~ wijst aan, dat de rust (het kalme gevoel van veiligheid of
zekerheid) afwezig is; het beteekent dus: bang, angstig, bezorgd. _Ik
maak mij over zijn lang uitblijven zeer ~ongerust~._
* * * * *
Zijn -- geweten joeg den moordenaar -- voort van de eene plaats naar de
andere.
De -- ademhaling van het zieke kind maakt de moeder zeer --.
Hoewel de vluchteling wist, dat hij zijn vervolgers ver achter zich had
gelaten, keek hij toch nog langen tijd -- om zich heen.
Onvermoeide vlijt en een -- arbeid komen vele hinderpalen te boven.
Daar wij in geen weken iets van onzen broeder hadden gehoord, werden
wij zeer --.