31. Ongerust--rusteloos--onrustig.

_Geen rust hebbende._

~Rusteloos~ duidt aan, dat de werking zonder rust, zonder ophouden

voortduurt. _~Rusteloos~ arbeidde hij aan zijn grootsche taak voort._

~Onrustig~ wijst aan, dat er geen rust, d.i. geen kalmte of bedaardheid

aanwezig is: _Een ~onrustige~ slaap. Met ~onrustige~ blikken zag de

schuldige om zich, als vreesde hij elk oogenblik gegrepen te worden._

Het woord komt dus vrijwel overeen met gejaagd.

~Ongerust~ wijst aan, dat de rust (het kalme gevoel van veiligheid of

zekerheid) afwezig is; het beteekent dus: bang, angstig, bezorgd. _Ik

maak mij over zijn lang uitblijven zeer ~ongerust~._

* * * * *

Zijn -- geweten joeg den moordenaar -- voort van de eene plaats naar de

andere.

De -- ademhaling van het zieke kind maakt de moeder zeer --.

Hoewel de vluchteling wist, dat hij zijn vervolgers ver achter zich had

gelaten, keek hij toch nog langen tijd -- om zich heen.

Onvermoeide vlijt en een -- arbeid komen vele hinderpalen te boven.

Daar wij in geen weken iets van onzen broeder hadden gehoord, werden

wij zeer --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 39 / 279 题