95. Afnemen--afbeuren--aflichten--afzetten.

_Een voorwerp, dat zich op een ander bevindt, daarvan verwijderen._

~Afnemen~ heeft de ruimste beteekenis; het duidt alleen aan, dat de

bedoelde werking plaats heeft: _den hoed ~afnemen~_.

~Afbeuren~ onderstelt, dat het voorwerp zwaar is en de handeling

dus moeite kost: _een zak koren van de weegschaal ~afbeuren~_; bij

~aflichten~ is dat niet het geval: bijv. _den hoed ~aflichten~_.

~Afzetten~ onderstelt, dat men het voorwerp een andere plaats geeft:

_hij ~zette~ den hoed ~af~ en hing hem aan den kapstok_; ~licht~ men

den hoed ~af~, dan zet men hem een oogenblik later weer op. Den hoed

~afnemen~ laat onbeslist, of men hem terstond weer opzet, dan wel

eenigen tijd in de hand houdt.

* * * * *

Help de meid even het stof --!

De molenaar heeft den zak op den wagen gelegd; ik kan hem er onmogelijk

alleen --.

Bij guur weer is het aan te raden bij het groeten den hoed slechts even

--.

Toen het lijk in de groeve daalde, zag men iedereen den hoed --.

Kom binnen, oom; trek uw overschoenen uit en -- uw hoed af.

Bij het afstoffen van den schoorsteenmantel moet gij eerst voorzichtig

de pendule er --.

Van dit stapeltje briefkaarten moogt gij er zes --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 108 / 279 题