_Een voorwerp, dat zich op een ander bevindt, daarvan verwijderen._
~Afnemen~ heeft de ruimste beteekenis; het duidt alleen aan, dat de
bedoelde werking plaats heeft: _den hoed ~afnemen~_.
~Afbeuren~ onderstelt, dat het voorwerp zwaar is en de handeling
dus moeite kost: _een zak koren van de weegschaal ~afbeuren~_; bij
~aflichten~ is dat niet het geval: bijv. _den hoed ~aflichten~_.
~Afzetten~ onderstelt, dat men het voorwerp een andere plaats geeft:
_hij ~zette~ den hoed ~af~ en hing hem aan den kapstok_; ~licht~ men
den hoed ~af~, dan zet men hem een oogenblik later weer op. Den hoed
~afnemen~ laat onbeslist, of men hem terstond weer opzet, dan wel
eenigen tijd in de hand houdt.
* * * * *
Help de meid even het stof --!
De molenaar heeft den zak op den wagen gelegd; ik kan hem er onmogelijk
alleen --.
Bij guur weer is het aan te raden bij het groeten den hoed slechts even
--.
Toen het lijk in de groeve daalde, zag men iedereen den hoed --.
Kom binnen, oom; trek uw overschoenen uit en -- uw hoed af.
Bij het afstoffen van den schoorsteenmantel moet gij eerst voorzichtig
de pendule er --.
Van dit stapeltje briefkaarten moogt gij er zes --.