_Pijnlijke gemoedsaandoening._
~Smart~ is het pijnlijke gevoel, dat ons plotseling treft en hevig
aandoet. _De ~smart~ der ouders bij het vernemen van den dood van hun
kind is niet te beschrijven._ (In letterlijken zin beteekent smart:
lichamelijke pijn, maar wordt niet veel meer gebruikt.)
~Verdriet~ is de onaangename stemming, die zich van ons meester maakt,
wanneer het een of ander onzen geest kwelt; het ziet dus meer op een
smart van langer duur. _De ouders hadden veel ~verdriet~ van hun zoon_
(hij paste n.l. slecht op, en dit kwelde hen voortdurend).
Is het verdriet nog heviger, zoodat ons lichaam er onder lijdt, dan
spreekt men van ~hartzeer~; hoewel dus sterker dan verdriet, wordt
het minder openlijk geuit, ja meestal in 't verborgen gedragen. _Uit
~hartzeer~ over het slechte gedrag van zijn zoon is de vader aan een
uitterende ziekte gestorven._
~Leed~ is het kwaad, dat ons smartelijk treft, hetzij doordat het onze
hoop teleurstelt, of ons met rouw vervult; het doet ons dus korter of
langer tijd ~lijden~. _Moge God U voor dat ~leed~ bewaren_ (bijv. het
verlies van een kind).
* * * * *
In diepe -- stonden de nabestaanden om het lijk geschaard.
Van -- over het verlies van zijn goeden naam is hij gestorven.
Het deed hem innig --, dat hij op de begrafenis niet tegenwoordig kon
zijn.
Met -- hebben wij den dood van onzen vriend vernomen.
Hij is sedert eenigen tijd zeer neerslachtig; men kan duidelijk zien,
dat hij -- heeft.
Het --, dat men den gevangen vrouwen aandeed, is te onmenschelijk om het
te beschrijven.
Met stille berusting droeg hij het --, dat hem wedervoer.
Hoezeer zijn binnenste door -- verteerd werd, liet hij niets van zijn
nameloos -- blijken.
Het huwelijk met dien eerloozen bedrieger werd haar een bron van --.