N.

naäpen, 88.

naarstig, 108.

nabootsen, 88.

nadeel, 87.

naderen, 30.

nadoen, 88.

nagedachtenis, 176.

naijver, 138.

nalaten, 61.

naschrijven, 146.

nauw, 84.

navolgen, 88.

_nazetten_, 203.

nederig, 78.

neigen, 123.

nemen (op zich), 120.

nering, 142.

_nietig_, 227.

nieuwsgierig, 60.

nooddruftig, 94.

noodzaken, 65.

norsch, 97.

nijd, 138.

nijver, 108.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 269 / 279 题