92. Mistrouwen--wantrouwen--verdenken.

_Gelooven, dat iemand oneerlijk of slecht is._

~Mistrouwen~ wijst aan, dat men op iemand of iets niet moet vertrouwen,

daar het mogelijk is, dat wij bedrogen zouden uitkomen. _»O, ~mistrouw~

't Sirenenzingen, Bouw niet op 't geluk, mijn kind!" Het is beter

iemand, die men niet kent, te ~mistrouwen~ dan te vertrouwen._--

~Wantrouwen~ is sterker; een feit is voorgevallen, waardoor ons

vertrouwen in iemands eerlijkheid of goede trouw geschokt is; het is nog

wel geen volkomen zeker bewijs voor zijn oneerlijk of slecht karakter,

maar alle omstandigheden pleiten in het nadeel van den gewantrouwde.

_Sedert ik mijn vriend op een leugen betrapt heb, ~wantrouw~ ik

hem._--~Wantrouwen~ en ~mistrouwen~ zien op toekomstige handelingen,

~verdenking~ daarentegen heeft betrekking op het verleden. Het wijst een

sterk vermoeden aan, dat iemand iets slechts bedreven heeft. _Daar hij

onder ~verdenking~ stond medeplichtig aan den moord te zijn, is hij in

hechtenis genomen._

* * * * *

Ik heb hem altijd voor een oprecht man gehouden, die mijn vertrouwen ten

volle waardig was, maar nu ik hem de vorige week op een onwaarheid

betrapt heb, -- ik hem.

Ik zond dit belangrijk bericht aan de redactie van dat dagblad op; het

werd echter slechts »onder voorbehoud" opgenomen, daar men mij als een

onbekende --.

Reeds meermalen is gebleken, dat de telegrammen van die courant onjuist

waren; ik ben dus zoo voorzichtig het blad altijd te --.

De staatsman stond onder --, dat hij met den vijand was gaan heulen;

daarom -- men alles, wat hij aanried.

Hoewel mijn buurman mij nog niet de minste aanleiding heeft gegeven hem

te --, -- ik hem toch en vertel ik hem geen geheimen.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 105 / 279 题