_Gelooven, dat iemand oneerlijk of slecht is._
~Mistrouwen~ wijst aan, dat men op iemand of iets niet moet vertrouwen,
daar het mogelijk is, dat wij bedrogen zouden uitkomen. _»O, ~mistrouw~
't Sirenenzingen, Bouw niet op 't geluk, mijn kind!" Het is beter
iemand, die men niet kent, te ~mistrouwen~ dan te vertrouwen._--
~Wantrouwen~ is sterker; een feit is voorgevallen, waardoor ons
vertrouwen in iemands eerlijkheid of goede trouw geschokt is; het is nog
wel geen volkomen zeker bewijs voor zijn oneerlijk of slecht karakter,
maar alle omstandigheden pleiten in het nadeel van den gewantrouwde.
_Sedert ik mijn vriend op een leugen betrapt heb, ~wantrouw~ ik
hem._--~Wantrouwen~ en ~mistrouwen~ zien op toekomstige handelingen,
~verdenking~ daarentegen heeft betrekking op het verleden. Het wijst een
sterk vermoeden aan, dat iemand iets slechts bedreven heeft. _Daar hij
onder ~verdenking~ stond medeplichtig aan den moord te zijn, is hij in
hechtenis genomen._
* * * * *
Ik heb hem altijd voor een oprecht man gehouden, die mijn vertrouwen ten
volle waardig was, maar nu ik hem de vorige week op een onwaarheid
betrapt heb, -- ik hem.
Ik zond dit belangrijk bericht aan de redactie van dat dagblad op; het
werd echter slechts »onder voorbehoud" opgenomen, daar men mij als een
onbekende --.
Reeds meermalen is gebleken, dat de telegrammen van die courant onjuist
waren; ik ben dus zoo voorzichtig het blad altijd te --.
De staatsman stond onder --, dat hij met den vijand was gaan heulen;
daarom -- men alles, wat hij aanried.
Hoewel mijn buurman mij nog niet de minste aanleiding heeft gegeven hem
te --, -- ik hem toch en vertel ik hem geen geheimen.