_Een schuinen stand hebben._
~Hellen~ wijst eenvoudig aan, dat er een afwijking van den loodrechten
stand bestaat. _Deze muur ~helt~ naar links._
~Overhellen~ drukt het begrip iets sterker uit. _De toren begint
bedenkelijk ~over te hellen~._
~Overhangen~ is nog sterker; het wijst er op, dat het voorwerp reeds
bijna een horizontalen stand heeft gekregen en zoodoende zich boven een
andere plaats bevindt. _De ~overhangende~ takken zullen wij laten
kappen._
Alleen ~overhellen~ wordt figuurlijk gebruikt. _In den slag bij
Nieuwpoort bleef de strijd lang onbeslist, totdat eindelijk de
overwinning naar Maurits' zijde begon ~over te hellen~._ (Men denkt
hierbij onwillekeurig aan de balans, waarvan de tong overhelt. Werk het
beeld verder uit!)
~Neigen~ beteekent: in schuine richting nader bij den grond brengen of
buigen, en komt vooral overgankelijk voor. _De bloemen ~neigden~ haar
hoofd. »~Neig~, o God, Uw gunstige ooren!"_ (De Hoogere buigt zich tot
den lagere.)
* * * * *
Toen hij in het water viel, greep hij zich nog bijtijds aan een -- tak
vast.
De meening der vergadering was aanvankelijk verdeeld; ten slotte echter
begon de meerderheid naar verwerping van het voorstel --.
De berg -- zoo steil naar het dal, dat hij slechts met moeite te
beklimmen is.
De dag -- ten einde.
Vroeger -- ook ik tot die meening over, thans ben ik tot andere
gedachten gekomen.
In enkele straten -- de huizen zoover over, dat zij op u dreigen neer te
vallen.
Reeds vroeg -- zijn hart zich tot het kwade.
Kent gij de wetten van het -- vlak?
Zijn heerschappij -- ten ondergang.