123. Neigen--hellen--overhellen--overhangen.

_Een schuinen stand hebben._

~Hellen~ wijst eenvoudig aan, dat er een afwijking van den loodrechten

stand bestaat. _Deze muur ~helt~ naar links._

~Overhellen~ drukt het begrip iets sterker uit. _De toren begint

bedenkelijk ~over te hellen~._

~Overhangen~ is nog sterker; het wijst er op, dat het voorwerp reeds

bijna een horizontalen stand heeft gekregen en zoodoende zich boven een

andere plaats bevindt. _De ~overhangende~ takken zullen wij laten

kappen._

Alleen ~overhellen~ wordt figuurlijk gebruikt. _In den slag bij

Nieuwpoort bleef de strijd lang onbeslist, totdat eindelijk de

overwinning naar Maurits' zijde begon ~over te hellen~._ (Men denkt

hierbij onwillekeurig aan de balans, waarvan de tong overhelt. Werk het

beeld verder uit!)

~Neigen~ beteekent: in schuine richting nader bij den grond brengen of

buigen, en komt vooral overgankelijk voor. _De bloemen ~neigden~ haar

hoofd. »~Neig~, o God, Uw gunstige ooren!"_ (De Hoogere buigt zich tot

den lagere.)

* * * * *

Toen hij in het water viel, greep hij zich nog bijtijds aan een -- tak

vast.

De meening der vergadering was aanvankelijk verdeeld; ten slotte echter

begon de meerderheid naar verwerping van het voorstel --.

De berg -- zoo steil naar het dal, dat hij slechts met moeite te

beklimmen is.

De dag -- ten einde.

Vroeger -- ook ik tot die meening over, thans ben ik tot andere

gedachten gekomen.

In enkele straten -- de huizen zoover over, dat zij op u dreigen neer te

vallen.

Reeds vroeg -- zijn hart zich tot het kwade.

Kent gij de wetten van het -- vlak?

Zijn heerschappij -- ten ondergang.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 140 / 279 题