_Een afkeurend oordeel vellen._
~Laken~ zegt, dat iets onvoorwaardelijk is af te keuren en heeft
hoofdzakelijk betrekking op handelingen, niet op de personen zelf. _Zijn
onbetamelijk gedrag werd door ieder ~gelaakt~._
~Berispen~ heeft de bijgedachte, dat een meerdere zijn mindere diens
verkeerde handelingen onder 't oog brengt en hem in afkeurende woorden
daarover bestraft; het wordt dus van de personen zelf gezegd. _De
onderwijzer ~berispte~ den leerling over het slordige werk._
~Gispen~ (d.i. met een gisp of roede slaan) geeft te kennen, dat men
in scherpe bewoordingen iemands handelingen afkeurt of hekelt. _Het
opzettelijk beleedigen van den gezant, waartoe de minister zich had
laten verleiden, werd door de vredespartij streng in hem ~gegispt~._
(Het komt hoofdzakelijk alleen in de schrijftaal voor.)
~Bedillen~ wijst aan, dat men op iemands doen en laten kleingeestige
aanmerkingen maakt uit zekere zucht om zich met alles te bemoeien. _Zijn
afkeurende critiek behoeft gij u niet aan te trekken: hij staat algemeen
bekend als iemand, die iedereen wil ~bedillen~._
Ontstaat de afkeuring uit afgunst en ontaardt zij in een breed uitmeten
van allerlei nietigheden of kleine gebreken, dan spreekt men van
~vitten~. _Ik had wel gedacht, dat hij op dit boek zou gaan ~vitten~:
hij is jaloersch op den opgang, dien het maakt._
* * * * *
Het valt zonder twijfel in hem te --, dat hij zijn ouders niet beter
ondersteunt.
De klerk had een paar kantoorgeheimen verklapt, en werd daarover door
zijn patroon ernstig --.
Mijn buurman is het nooit naar den zin te maken; hij wil iedereen -- en
heeft op alles wat te --.
In zijn rede heeft deze spreker de weifelende houding van het bestuur
ernstig --.
De minister wilde den ambtenaar nog niet terstond ontslaan, maar heeft
hem eerst openlijk --.
Als gij zoo gaat --, begrijpt iedereen, dat wangunst u drijft.