139. Laken--berispen--gispen--vitten--bedillen.

_Een afkeurend oordeel vellen._

~Laken~ zegt, dat iets onvoorwaardelijk is af te keuren en heeft

hoofdzakelijk betrekking op handelingen, niet op de personen zelf. _Zijn

onbetamelijk gedrag werd door ieder ~gelaakt~._

~Berispen~ heeft de bijgedachte, dat een meerdere zijn mindere diens

verkeerde handelingen onder 't oog brengt en hem in afkeurende woorden

daarover bestraft; het wordt dus van de personen zelf gezegd. _De

onderwijzer ~berispte~ den leerling over het slordige werk._

~Gispen~ (d.i. met een gisp of roede slaan) geeft te kennen, dat men

in scherpe bewoordingen iemands handelingen afkeurt of hekelt. _Het

opzettelijk beleedigen van den gezant, waartoe de minister zich had

laten verleiden, werd door de vredespartij streng in hem ~gegispt~._

(Het komt hoofdzakelijk alleen in de schrijftaal voor.)

~Bedillen~ wijst aan, dat men op iemands doen en laten kleingeestige

aanmerkingen maakt uit zekere zucht om zich met alles te bemoeien. _Zijn

afkeurende critiek behoeft gij u niet aan te trekken: hij staat algemeen

bekend als iemand, die iedereen wil ~bedillen~._

Ontstaat de afkeuring uit afgunst en ontaardt zij in een breed uitmeten

van allerlei nietigheden of kleine gebreken, dan spreekt men van

~vitten~. _Ik had wel gedacht, dat hij op dit boek zou gaan ~vitten~:

hij is jaloersch op den opgang, dien het maakt._

* * * * *

Het valt zonder twijfel in hem te --, dat hij zijn ouders niet beter

ondersteunt.

De klerk had een paar kantoorgeheimen verklapt, en werd daarover door

zijn patroon ernstig --.

Mijn buurman is het nooit naar den zin te maken; hij wil iedereen -- en

heeft op alles wat te --.

In zijn rede heeft deze spreker de weifelende houding van het bestuur

ernstig --.

De minister wilde den ambtenaar nog niet terstond ontslaan, maar heeft

hem eerst openlijk --.

Als gij zoo gaat --, begrijpt iedereen, dat wangunst u drijft.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 156 / 279 题