224. Uitstaan--doorstaan--verdragen--lijden--dulden.

_Iets onaangenaams zonder verzet (passief) ondervinden._

~Lijden~ zegt dit op de meest algemeene wijze: _pijn ~lijden~, dorst

~lijden~_. ~Dulden~ heeft de bijgedachte, dat men het onaangename

wel gelaten, maar toch met eenigen tegenzin ondervindt: _Moet ik dat

lasteren nog langer ~dulden~?_ ~Verdragen~ wijst er op, dat men iets,

wat zwaar op ons drukt (vandaar: dragen!), meer gewillig duldt. _Gelaten

~verdroeg~ hij den smaad, waarmee men hem overlaadde._--~Uitstaan~ ziet

op den vasten wil, waarmee men iets pijnlijks of onaangenaams duldt,

terwijl ~doorstaan~ beteekent, dat men het onaangename (kwaad, leed,

gevaar enz.) tot het einde toe verdraagt en er niet onder bezwijkt.

_Hevige pijnen zonder smartkreten ~uitstaan~; een zware ziekte, de

vuurproef ~doorstaan~._

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 243 / 279 题