_Iets onaangenaams zonder verzet (passief) ondervinden._
~Lijden~ zegt dit op de meest algemeene wijze: _pijn ~lijden~, dorst
~lijden~_. ~Dulden~ heeft de bijgedachte, dat men het onaangename
wel gelaten, maar toch met eenigen tegenzin ondervindt: _Moet ik dat
lasteren nog langer ~dulden~?_ ~Verdragen~ wijst er op, dat men iets,
wat zwaar op ons drukt (vandaar: dragen!), meer gewillig duldt. _Gelaten
~verdroeg~ hij den smaad, waarmee men hem overlaadde._--~Uitstaan~ ziet
op den vasten wil, waarmee men iets pijnlijks of onaangenaams duldt,
terwijl ~doorstaan~ beteekent, dat men het onaangename (kwaad, leed,
gevaar enz.) tot het einde toe verdraagt en er niet onder bezwijkt.
_Hevige pijnen zonder smartkreten ~uitstaan~; een zware ziekte, de
vuurproef ~doorstaan~._