_Wel zijn deze woorden van ~dag~ afgeleid, maar eigenlijke synoniemen
zijn het niet; toch worden ze vaak ter vergelijking opgegeven._ (Zie
ook no. 3.)
~Dagelijksch~ is alles, wat elken dag geregeld terugkeert. _De
~dagelijksche~ beweging der aarde om haar as duurt 24 uur. Hij verdient
ruim zijn ~dagelijksch~ brood._
~Alledaagsch~ beteekent, wat men alle dagen ziet, dus iets wat zeer
gewoon is; het heeft min of meer een geringschattende beteekenis. _Ik
dacht, dat hij zeer veel talent bezat, maar hij blijkt slechts een
~alledaagsch~ mensch te zijn._
~Daagsch~ wordt gebruikt in tegenstelling van zondagsch: _dit is mijn
~daagsche~ hoed_ (d.i. de hoed, dien ik op gewone werkdagen draag).
Opmerking. _Daags_ is een bijwoord en beteekent: over dag: De zon
schijnt _daags_ maar 6 uur meer.--Ook _dagelijks_ is een bijwoord en
beteekent: elken dag: Hij doet _dagelijks_ een wandeling. (Hij doet
_daags_ een wandeling, wil zeggen: over dag, dus niet in den nacht.)
_'s Daags_ beteekent _per dag_ (in een tijdruimte van een dag): _hij
verdient 2 gld. 's ~daags~_.
* * * * *
In het -- leven wordt deze uitdrukking vaak gehoord.
Mijn -- jas zit mij gemakkelijker dan mijn zondagsche.
Gij behoeft daarvan niet zooveel ophef te maken: ik vind het een --
geval.
Op onze voetreis legden wij -- 8 uur af.
Ik zou niet graag mijn -- wandeling willen missen.
's Nachts loopen er vijf treinen en -- twaalf.