53. Beloonen--vergelden.

_Iemand iets geven voor hetgeen hij gedaan heeft._

~Beloonen~ (soms _loonen_) geschiedt als een bewijs van goedkeuring

(door een meerdere) of om voor een bewezen dienst iets stoffelijks

(meest geld) te geven. _De vader ~beloont~ zijn kind. De eerlijke vinder

zal goed ~beloond~ worden._

~Vergelden~ onderstelt meer het geven van iets onstoffelijks voor

bewezen diensten en kan ook van een mindere jegens zijn meerdere gezegd

worden. _Het kind ~vergold~ door een voorbeeldig gedrag de zorgen zijner

ouders._

Bovendien ziet ~beloonen~ op den persoon (het _kind_ werd beloond), en

~vergelden~ op de zaak (de _zorgen_, niet de _ouders_ werden vergolden).

Men houde in het oog, dat beide woorden in figuurlijken zin soms in

ongunstige beteekenis voorkomen: _Het kwaad ~loont~ zijn meester._

(Waarom niet _vergeldt_?)--_Kwaad met kwaad ~vergelden~._ (Waarom niet

_beloonen_?)

* * * * *

Moge God u voor al uw zorgen --. Moge God u al uw zorgen --.

De onderwijzer -- den leerling voor zijn goed gedrag.

De tijd, dien ik aan deze studie wijdde, is ruim -- geworden.

Het kwaad -- steeds zich zelf.

Jammer, dat hem die weldaad met zulk een ondank werd --.

Jammer, dat hij voor die weldaad zoo met ondank werd --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 63 / 279 题