_Iemand iets geven voor hetgeen hij gedaan heeft._
~Beloonen~ (soms _loonen_) geschiedt als een bewijs van goedkeuring
(door een meerdere) of om voor een bewezen dienst iets stoffelijks
(meest geld) te geven. _De vader ~beloont~ zijn kind. De eerlijke vinder
zal goed ~beloond~ worden._
~Vergelden~ onderstelt meer het geven van iets onstoffelijks voor
bewezen diensten en kan ook van een mindere jegens zijn meerdere gezegd
worden. _Het kind ~vergold~ door een voorbeeldig gedrag de zorgen zijner
ouders._
Bovendien ziet ~beloonen~ op den persoon (het _kind_ werd beloond), en
~vergelden~ op de zaak (de _zorgen_, niet de _ouders_ werden vergolden).
Men houde in het oog, dat beide woorden in figuurlijken zin soms in
ongunstige beteekenis voorkomen: _Het kwaad ~loont~ zijn meester._
(Waarom niet _vergeldt_?)--_Kwaad met kwaad ~vergelden~._ (Waarom niet
_beloonen_?)
* * * * *
Moge God u voor al uw zorgen --. Moge God u al uw zorgen --.
De onderwijzer -- den leerling voor zijn goed gedrag.
De tijd, dien ik aan deze studie wijdde, is ruim -- geworden.
Het kwaad -- steeds zich zelf.
Jammer, dat hem die weldaad met zulk een ondank werd --.
Jammer, dat hij voor die weldaad zoo met ondank werd --.