_Zonder trouw._
~Trouweloos~ handelt iemand, die van een vrijwillig aangegane
verbintenis met voorbedachten rade afwijkt, om zich zelf te bevoordeelen
en een ander nadeel te berokkenen; hij ontziet zich daartoe niet,
valsch en laag te handelen. Trouweloos te zijn is dus min of meer een
karaktertrek, d.w.z. de trouweloosheid blijft in den regel niet tot één
geval beperkt. Op het gegeven woord van den trouwelooze, hoe plechtig
bezworen, is geen staat te maken; hij is zelfs in staat zijn vriend te
verraden of van diens geheimen misbruik te maken, als hij er voordeel in
ziet. _Hoewel hij mij plechtig beloofd had mijn plannen strikt geheim te
houden, heeft hij ze toch aan mijn mededinger verraden; ik wist niet,
dat hij zóó ~trouweloos~ was._
~Ontrouw~ ziet meer op een bepaald geval. Het wijst óók wel aan, dat
iemand een aangegane verbintenis niet nakomt, doch niet zoozeer, omdat
dit in zijn karakter ligt, als wel tengevolge van veranderde inzichten;
van eigenbelang behoeft niet eens sprake te zijn. Is de trouwelooze
geheel en steeds zonder goede trouw, de ontrouwe is zulks slechts voor
een bepaald geval. _Hij is mij ~ontrouw~ geworden_ wil zeggen: hij heeft
mijn partij verlaten--hoewel hij mij trouw beloofd had--maar hij kan
daarom toch zijn nieuwe partij met de grootste trouw weer aanhangen.
* * * * *
Karel de Stoute werd door zijn gunsteling Campo Basso in den slag bij
Nancy -- verraden. Deze Italiaansche veldheer werd n.l. zijn vorst -- en
liep in 't beslissend oogenblik tot den vijand over.
De -- dienstknecht leverde enkele brieven van zijn meester aan diens
vijanden over.
Hij werd het oude geloof zijner vaderen --.
Zou hij zoo -- zijn, dat hij zijn eigen broeder zou verraden?