10. Ontrouw--trouweloos.

_Zonder trouw._

~Trouweloos~ handelt iemand, die van een vrijwillig aangegane

verbintenis met voorbedachten rade afwijkt, om zich zelf te bevoordeelen

en een ander nadeel te berokkenen; hij ontziet zich daartoe niet,

valsch en laag te handelen. Trouweloos te zijn is dus min of meer een

karaktertrek, d.w.z. de trouweloosheid blijft in den regel niet tot één

geval beperkt. Op het gegeven woord van den trouwelooze, hoe plechtig

bezworen, is geen staat te maken; hij is zelfs in staat zijn vriend te

verraden of van diens geheimen misbruik te maken, als hij er voordeel in

ziet. _Hoewel hij mij plechtig beloofd had mijn plannen strikt geheim te

houden, heeft hij ze toch aan mijn mededinger verraden; ik wist niet,

dat hij zóó ~trouweloos~ was._

~Ontrouw~ ziet meer op een bepaald geval. Het wijst óók wel aan, dat

iemand een aangegane verbintenis niet nakomt, doch niet zoozeer, omdat

dit in zijn karakter ligt, als wel tengevolge van veranderde inzichten;

van eigenbelang behoeft niet eens sprake te zijn. Is de trouwelooze

geheel en steeds zonder goede trouw, de ontrouwe is zulks slechts voor

een bepaald geval. _Hij is mij ~ontrouw~ geworden_ wil zeggen: hij heeft

mijn partij verlaten--hoewel hij mij trouw beloofd had--maar hij kan

daarom toch zijn nieuwe partij met de grootste trouw weer aanhangen.

* * * * *

Karel de Stoute werd door zijn gunsteling Campo Basso in den slag bij

Nancy -- verraden. Deze Italiaansche veldheer werd n.l. zijn vorst -- en

liep in 't beslissend oogenblik tot den vijand over.

De -- dienstknecht leverde enkele brieven van zijn meester aan diens

vijanden over.

Hij werd het oude geloof zijner vaderen --.

Zou hij zoo -- zijn, dat hij zijn eigen broeder zou verraden?

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 18 / 279 题