4. Zorgeloos--onbezorgd.

_Geen zorg hebbende._

~Onbezorgd~ is hij, die niet bezorgd of bang voor gebrek of dreigende

gevaren behoeft te zijn. Het woord heeft dus een gunstige beteekenis.

_Hij heeft zooveel gespaard, dat hij een ~onbezorgden~ ouden dag kan

hebben._

~Zorgeloos~ wijst aan, dat iemand de zaken, die aan zijn zorg zijn

toevertrouwd, verwaarloost, of dat hij lichtzinnig voortleeft, zonder de

noodige zorg voor zijn toekomst te hebben. Het woord heeft dus altijd

een ongunstige bijgedachte. _Ofschoon hij meermalen met ontslag

bedreigd is, blijft hij nog altijd even ~zorgeloos~._

* * * * *

Gij kunt -- zijn: geen kwaad zal u deren.

Zou zij mij alleen getrouwd hebben, om een vroolijk en -- leven te

leiden? (Van Lennep.)

Het ergert mij altijd, dat hij zoo -- en lichtzinnig voortleeft.

Hij deed alle moeite om een opgeruimd en -- gelaat te vertoonen. (Van

Lennep.)

Als gij zoo -- met uw geldzaken omgaat, zult gij spoedig arm zijn.

Zonden, ofschoon gepleegd in -- vroolijkheid, waarbij men zich zelve

vergeet, ontgaan echter het oog van God niet. (Van der Palm.)

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 12 / 279 题