_Geen zorg hebbende._
~Onbezorgd~ is hij, die niet bezorgd of bang voor gebrek of dreigende
gevaren behoeft te zijn. Het woord heeft dus een gunstige beteekenis.
_Hij heeft zooveel gespaard, dat hij een ~onbezorgden~ ouden dag kan
hebben._
~Zorgeloos~ wijst aan, dat iemand de zaken, die aan zijn zorg zijn
toevertrouwd, verwaarloost, of dat hij lichtzinnig voortleeft, zonder de
noodige zorg voor zijn toekomst te hebben. Het woord heeft dus altijd
een ongunstige bijgedachte. _Ofschoon hij meermalen met ontslag
bedreigd is, blijft hij nog altijd even ~zorgeloos~._
* * * * *
Gij kunt -- zijn: geen kwaad zal u deren.
Zou zij mij alleen getrouwd hebben, om een vroolijk en -- leven te
leiden? (Van Lennep.)
Het ergert mij altijd, dat hij zoo -- en lichtzinnig voortleeft.
Hij deed alle moeite om een opgeruimd en -- gelaat te vertoonen. (Van
Lennep.)
Als gij zoo -- met uw geldzaken omgaat, zult gij spoedig arm zijn.
Zonden, ofschoon gepleegd in -- vroolijkheid, waarbij men zich zelve
vergeet, ontgaan echter het oog van God niet. (Van der Palm.)