127. Vlieten--vloeien--stroomen.

_Beweging van niet-vaste stoffen._

~Vloeien~ duidt een zachte, kalme beweging van vloeistoffen aan: _Het

water ~vloeit~ over den grond.--De tranen ~vloeiden~ uit zijn oogen._

~Vlieten~ wijst een meer voortdurende, kalme beweging in dezelfde

richting aan, en wordt eveneens alleen van vloeistoffen gebruikt. Het is

iets sterker dan _vloeien_ en behoort bovendien meer tot de schrijftaal.

_De tranen ~vloten~ hem over de wangen._

~Stroomen~ duidt een sterker beweging dan vlieten aan en wordt ook van

gassen gebezigd. _De tranen ~stroomden~ hem over de wangen. De rivier

~stroomt~; het beekje ~vliet~. De lucht ~stroomt~ van alle kanten toe._

Verklaar nu de figuurlijke beteekenis van: Uit deze stelling _vloeit_

voort, dat de buitenhoeken van een driehoek samen 10 rechte hoeken

vormen.--Het volk _stroomde_ van alle zijden toe.

* * * * *

Deze bron van inkomsten houdt weldra op te --.

Ik hoor duidelijk het gas uit de kraan --.

Zijn leven -- zacht en kalm daarheen. (Verklaar de teekenachtige

uitdrukking!)

De golven -- in wilde vaart over den dijk.

Een stille traan -- uit zijn oog.

Hieruit -- nog niet voort, dat ik u zal aanbevelen.

Kabbelend -- het beekje tusschen groene weilanden voort.

Een dichte menigte -- naar het feestterrein.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 144 / 279 题