_Beweging van niet-vaste stoffen._
~Vloeien~ duidt een zachte, kalme beweging van vloeistoffen aan: _Het
water ~vloeit~ over den grond.--De tranen ~vloeiden~ uit zijn oogen._
~Vlieten~ wijst een meer voortdurende, kalme beweging in dezelfde
richting aan, en wordt eveneens alleen van vloeistoffen gebruikt. Het is
iets sterker dan _vloeien_ en behoort bovendien meer tot de schrijftaal.
_De tranen ~vloten~ hem over de wangen._
~Stroomen~ duidt een sterker beweging dan vlieten aan en wordt ook van
gassen gebezigd. _De tranen ~stroomden~ hem over de wangen. De rivier
~stroomt~; het beekje ~vliet~. De lucht ~stroomt~ van alle kanten toe._
Verklaar nu de figuurlijke beteekenis van: Uit deze stelling _vloeit_
voort, dat de buitenhoeken van een driehoek samen 10 rechte hoeken
vormen.--Het volk _stroomde_ van alle zijden toe.
* * * * *
Deze bron van inkomsten houdt weldra op te --.
Ik hoor duidelijk het gas uit de kraan --.
Zijn leven -- zacht en kalm daarheen. (Verklaar de teekenachtige
uitdrukking!)
De golven -- in wilde vaart over den dijk.
Een stille traan -- uit zijn oog.
Hieruit -- nog niet voort, dat ik u zal aanbevelen.
Kabbelend -- het beekje tusschen groene weilanden voort.
Een dichte menigte -- naar het feestterrein.