64. Betuigen--betoonen--bewijzen.

_Zijn gevoelen doen blijken._

~Betuigen~ geschiedt door verzekeringen, door verklaringen, dus door

woorden. _Hij ~betuigde~ mij in hartelijke bewoordingen zijn

vriendschap._

~Betoonen~ is sterker: het onderstelt, dat men door zichtbare teekenen,

bijv. door daden, van zijn gevoelen blijk geeft. _Hij ~betoonde~ mij

zijn vriendschap, door mij in mijn ziekte vaak te bezoeken._

~Bewijzen~ komt vrijwel met betoonen overeen; alleen is het iets

sterker, doordat het doet denken aan overtuigende bewijzen. _Hij

~bewees~ mij zijn vriendschap, door mij in den nood getrouw bij te

staan._

* * * * *

Hij -- wel zijn onschuld, maar hij kon ze niet --.

De misdadiger was zeer bedroefd en -- daardoor berouw te hebben over het

gebeurde.

Hij -- mij in een langen brief zijn leedwezen over de beleediging, die

hij mij aangedaan had.

Jan van Schaffelaar -- zijn waren heldenmoed, door zich onverschrokken

van den toren te werpen.

De Tweede Kamer -- haar deelneming in het overlijden van haar medelid in

een brief van rouwbeklag aan de weduwe. Zij -- haar deelneming, door de

zitting als teeken van rouw op te heffen.

De regeering --, dat zij de verdiensten van den gesneuvelden held hoog

waardeerde, door op zijn graf een prachtig gedenkteeken op te richten.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 74 / 279 题