_De omstandigheid, die een werking ten gevolge heeft._
~Oorzaak~ zegt, dat de werking van 's menschen wil onafhankelijk is;
zij kan dus in de natuur gevonden worden, bijv.: _de ~oorzaak~ der
aardbevingen is nog niet voldoende opgehelderd_, of in omstandigheden,
waarop wij geen invloed hebben: _de ~oorzaak~ van den brand is
onbekend_.
Ook wordt ~oorzaak~ gebruikt ten opzichte van onze handelingen, waarbij
onze wil niet opzettelijk in aanmerking komt: _zijn verkwistende
levenswijze is ~oorzaak~, dat hij arm is geworden_ (hij was n.l. niet
opzettelijk verkwistend om arm te worden).
De ~reden~ is ten nauwste verbonden aan iemands uitdrukkelijken wil en
beweegt hem tot een daad. _Wat is de ~reden~, dat gij boos op hem zijt?_
(Die reden _beweegt_ u boos te zijn.)
~Opmerking.~ _Waardoor?_ vraagt naar een oorzaak; _waarom?_ naar een
reden. _Waardoor_ stijgt een luchtballon omhoog? _Waarom_ hebt gij uw
woord gebroken?
* * * * *
De -- van dit ongeluk is aan zijn eigen onvoorzichtigheid te wijten.
Kent gij de --, waar-- hij als lid der vereeniging bedankt heeft?
Kent gij de --, waar-- hij zoo ongelukkig is geworden?
Wat is de --, dat men dit eiland niet bedijkt heeft?
De hooge vloed is --, dat dit eiland voor bedijking rijp is.