29. Oorzaak--reden.

_De omstandigheid, die een werking ten gevolge heeft._

~Oorzaak~ zegt, dat de werking van 's menschen wil onafhankelijk is;

zij kan dus in de natuur gevonden worden, bijv.: _de ~oorzaak~ der

aardbevingen is nog niet voldoende opgehelderd_, of in omstandigheden,

waarop wij geen invloed hebben: _de ~oorzaak~ van den brand is

onbekend_.

Ook wordt ~oorzaak~ gebruikt ten opzichte van onze handelingen, waarbij

onze wil niet opzettelijk in aanmerking komt: _zijn verkwistende

levenswijze is ~oorzaak~, dat hij arm is geworden_ (hij was n.l. niet

opzettelijk verkwistend om arm te worden).

De ~reden~ is ten nauwste verbonden aan iemands uitdrukkelijken wil en

beweegt hem tot een daad. _Wat is de ~reden~, dat gij boos op hem zijt?_

(Die reden _beweegt_ u boos te zijn.)

~Opmerking.~ _Waardoor?_ vraagt naar een oorzaak; _waarom?_ naar een

reden. _Waardoor_ stijgt een luchtballon omhoog? _Waarom_ hebt gij uw

woord gebroken?

* * * * *

De -- van dit ongeluk is aan zijn eigen onvoorzichtigheid te wijten.

Kent gij de --, waar-- hij als lid der vereeniging bedankt heeft?

Kent gij de --, waar-- hij zoo ongelukkig is geworden?

Wat is de --, dat men dit eiland niet bedijkt heeft?

De hooge vloed is --, dat dit eiland voor bedijking rijp is.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 37 / 279 题