_Een afschrift maken of copiëeren._
Bij ~afschrijven~ denkt men aan het maken van afschriften van
belangrijke geschreven of gedrukte stukken; ~naschrijven~ wijst aan,
dat gedeelten van geschreven of gedrukte werken door een auteur
worden overgenomen, om ze als eigen werk uit te geven (plagiaat);
~overschrijven~ gebruikt men voor het in het net schrijven van hetgeen
men reeds in klad heeft gemaakt, of niet netjes genoeg heeft geschreven.
~Uitschrijven~ ziet op het overnemen van belangrijke gedeelten uit een
boek of handschrift, om er later zoo noodig gebruik van te maken. (In de
schoolwereld gebruikt men vaak het woord, als een leerling een gedeelte
uit een boek moet copiëeren, hetzij tot straf, hetzij om zuiver te
leeren schrijven.)
* * * * *
De kantoorklerk moest de koopakte tweemaal --, daar elk der beide
partijen een copie wilde hebben.
Men beschuldigt dezen auteur, dat hij wel het derde deel van zijn boek
heeft --.
Ik vind deze studie van prof. Fruin zoo belangrijk, dat ik er een groot
deel van heb --.
Deze jongen had zijn werk zoo slordig gemaakt, dat hij het moest --.
Je zoudt me een groot pleizier doen, als je dit oude handvest
(privilegie) voor mij woordelijk in Latijnsche letters wilde --; ik kan
het Gotisch schrift moeilijk lezen.
De leerling had de regels voor de vervoeging zoo slecht geleerd, dat hij
ze tienmaal moest --.