186. Boosheid--drift--toorn--woede--razernij.

_De gemoedstoestand, waarin men alle kalmte verliest._

~Boosheid~ duidt aan, dat men misnoegen gevoelt, maar niet in zulke

sterke mate, als bij ~toorn~ het geval is. Verliest de toornige zijn

heerschappij over het verstand, dan spreekt men van ~woede~. Gaat deze

woede met groot getier of heftige bewegingen gepaard, dan gebruikt men

~razernij~.--~Drift~ is een snel opkomende opwelling van toorn, die

evenwel spoedig weer voorbij gaat.

* * * * *

In zijn -- had hij bijna zijn besten vriend vermoord.

Hij wilde uit -- niet met ons meespelen.

In zijn -- wierp hij mij een beleediging naar het hoofd, maar hij had er

spoedig groot berouw over.

Hij ging in zijn -- zoo geweldig te keer, dat de menschen op straat

bleven staan luisteren.

Spreek uw nieuwen patroon nooit tegen en doe stipt, wat hij zegt; want,

als gij zijn -- opwekt, jaagt hij u misschien wel de deur uit.

Bij die grievende beleediging, zijn vader aangedaan, ontstak de zoon in

zulk een --, dat hij bijna een ongeluk had begaan.

Zeg maar niets tegen hem; zijn -- zal wel spoedig gezakt zijn.

Met verbeten -- stond de koopman het aan te zien, hoe zijn concurrent al

de klanten wist te lokken.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 205 / 279 题