_De gemoedstoestand, waarin men alle kalmte verliest._
~Boosheid~ duidt aan, dat men misnoegen gevoelt, maar niet in zulke
sterke mate, als bij ~toorn~ het geval is. Verliest de toornige zijn
heerschappij over het verstand, dan spreekt men van ~woede~. Gaat deze
woede met groot getier of heftige bewegingen gepaard, dan gebruikt men
~razernij~.--~Drift~ is een snel opkomende opwelling van toorn, die
evenwel spoedig weer voorbij gaat.
* * * * *
In zijn -- had hij bijna zijn besten vriend vermoord.
Hij wilde uit -- niet met ons meespelen.
In zijn -- wierp hij mij een beleediging naar het hoofd, maar hij had er
spoedig groot berouw over.
Hij ging in zijn -- zoo geweldig te keer, dat de menschen op straat
bleven staan luisteren.
Spreek uw nieuwen patroon nooit tegen en doe stipt, wat hij zegt; want,
als gij zijn -- opwekt, jaagt hij u misschien wel de deur uit.
Bij die grievende beleediging, zijn vader aangedaan, ontstak de zoon in
zulk een --, dat hij bijna een ongeluk had begaan.
Zeg maar niets tegen hem; zijn -- zal wel spoedig gezakt zijn.
Met verbeten -- stond de koopman het aan te zien, hoe zijn concurrent al
de klanten wist te lokken.