52. Schrik--ontzetting.

_Hevige ontroering bij het aanschouwen van iets beangstigends._

~Schrik~ geeft meer de werking zelf aan, waarbij men bij 't zien

of hooren als 't ware opspringt (_schrikken_ = springen; vgl.

_schrikkel_jaar, 't jaar waarin de datums één dag meer verspringen).

Men kan zich spoedig herstellen en zijn kalmte terugkrijgen.

Is de ontroering heviger, zoodat zij ons gemoed geheel vervult, dan

spreekt men van ~ontzetting~. (Zie No. 44.)

(Verandert door schrik of ontzetting ons gelaat, dan spreekt men van

~ontstellen~.)

* * * * *

Van -- stond hij aan den grond vastgenageld.

Van -- rezen hem de haren te berge.

Met -- bemerkte hij, dat hij zijn geld verloren had.

Met -- bemerkte de kapitein, dat het schip verloren was.

Met -- zag de moeder het aan, hoe de vijand haar kinderen vermoordde.

Toen de patroon den bediende op de vervalsching wees, -- deze.

Van -- kon hij geen woord uitbrengen.

Ieder vernam met --, welke gruwelen door de Turken gepleegd werden.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 62 / 279 题