163. Beven--trillen--sidderen--rillen--bibberen.

_In een snel golvende beweging zijn._

~Trillen~ is de zwakste aanwijzing voor dit begrip: _de snaar ~trilt~_.

~Beven~ is sterker en bij levenlooze voorwerpen zelfs de hoogste graad

van golvende beweging. _Zijn hand ~beefde~ van aandoening.--De aarde

~beeft~._

~Sidderen~ wordt alleen van levende wezens gezegd en is sterker dan

beven; het wijst vooral op een hevige innerlijke aandoening. _Hij

~sidderde~ van angst._

~Rillen~ is een trillen, veroorzaakt door verlaging der

lichaams-temperatuur: _hij ~rilde~ van kou_; het wordt dus alleen van

levende wezens gezegd, evenals ~bibberen~, dat een aanhoudend ~rillen~

aanduidt en daarom sterker is: _Hij ~bibberde~ van de kou._ Het behoort

meer tot de gewone spreektaal.

Waarom kan men wel zeggen: _zijn stem ~trilde~ of ~beefde~_, en niet:

_zijn stem ~sidderde~, ~rilde~ of ~bibberde~_?

* * * * *

Het riet -- in de avondkoelte.

Bij dat gezicht -- wij van ontzetting.

De arme bedelaarster -- van koude.

Het is in deze kamer kil; ik begin te --.

Zijn hart --, toen hij den dief zag naderen.

Ik -- als een blad op den boom.

Door de sterke -- der lucht dreunden de ramen.

Hij -- van vrees, toen hij den vijand tegemoet moest treden.

Van zulk een verhaal zou men -- en --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 180 / 279 题