_In een snel golvende beweging zijn._
~Trillen~ is de zwakste aanwijzing voor dit begrip: _de snaar ~trilt~_.
~Beven~ is sterker en bij levenlooze voorwerpen zelfs de hoogste graad
van golvende beweging. _Zijn hand ~beefde~ van aandoening.--De aarde
~beeft~._
~Sidderen~ wordt alleen van levende wezens gezegd en is sterker dan
beven; het wijst vooral op een hevige innerlijke aandoening. _Hij
~sidderde~ van angst._
~Rillen~ is een trillen, veroorzaakt door verlaging der
lichaams-temperatuur: _hij ~rilde~ van kou_; het wordt dus alleen van
levende wezens gezegd, evenals ~bibberen~, dat een aanhoudend ~rillen~
aanduidt en daarom sterker is: _Hij ~bibberde~ van de kou._ Het behoort
meer tot de gewone spreektaal.
Waarom kan men wel zeggen: _zijn stem ~trilde~ of ~beefde~_, en niet:
_zijn stem ~sidderde~, ~rilde~ of ~bibberde~_?
* * * * *
Het riet -- in de avondkoelte.
Bij dat gezicht -- wij van ontzetting.
De arme bedelaarster -- van koude.
Het is in deze kamer kil; ik begin te --.
Zijn hart --, toen hij den dief zag naderen.
Ik -- als een blad op den boom.
Door de sterke -- der lucht dreunden de ramen.
Hij -- van vrees, toen hij den vijand tegemoet moest treden.
Van zulk een verhaal zou men -- en --.