128. Vleugel--vlerk--wiek.

_Het lichaamsdeel om te vliegen._

~Vleugel~ zegt dit in het algemeen: zoowel vogels als insecten hebben

vleugels. Verder gebruikt men vleugel in figuurlijken zin om een vlugge

beweging aan te duiden. _De schrik hecht ~vleugelen~ aan zijn voet.--Op

~vleugelen~ der liefde kom ik tot u._

~Vlerk~ beteekent gewoonlijk een gevederde vleugel en kan dus letterlijk

alleen van vogels gebezigd worden.

~Wiek~ is hoofdzakelijk beperkt tot de deftige figuurlijke taal en komt

dan met vleugel overeen: het middel om zich snel te verplaatsen: _Op

de ~wieken~ der verbeelding._ (Alleen in enkele spreekwijzen van het

dagelijksch leven komt wiek voor: bijv. kortwieken, klapwieken, op eigen

wieken drijven.)

* * * * *

De struisvogels hebben wel -- maar zij kunnen er niet mee vliegen.

Op de -- des winds naderde ons het heerlijke gezang.

»Bontge-- vlinders zweven in den nooitvolprezen Mei."

Dedalus wilde op wassen -- naar de zon vliegen.

Wat een paar prachtige -- bezit deze vogel.

Hij verhief zich op de -- der verbeelding in hooger sfeer.

De linker -- van dezen papegaai is verlamd.

De vrees hecht -- aan haar voeten.

Hij is niet in zijn -- geschoten.

Beschermend breidde hij de -- zijner liefde over mij uit.

De linker-- van het gebouw is verwoest.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 145 / 279 题