_Het lichaamsdeel om te vliegen._
~Vleugel~ zegt dit in het algemeen: zoowel vogels als insecten hebben
vleugels. Verder gebruikt men vleugel in figuurlijken zin om een vlugge
beweging aan te duiden. _De schrik hecht ~vleugelen~ aan zijn voet.--Op
~vleugelen~ der liefde kom ik tot u._
~Vlerk~ beteekent gewoonlijk een gevederde vleugel en kan dus letterlijk
alleen van vogels gebezigd worden.
~Wiek~ is hoofdzakelijk beperkt tot de deftige figuurlijke taal en komt
dan met vleugel overeen: het middel om zich snel te verplaatsen: _Op
de ~wieken~ der verbeelding._ (Alleen in enkele spreekwijzen van het
dagelijksch leven komt wiek voor: bijv. kortwieken, klapwieken, op eigen
wieken drijven.)
* * * * *
De struisvogels hebben wel -- maar zij kunnen er niet mee vliegen.
Op de -- des winds naderde ons het heerlijke gezang.
»Bontge-- vlinders zweven in den nooitvolprezen Mei."
Dedalus wilde op wassen -- naar de zon vliegen.
Wat een paar prachtige -- bezit deze vogel.
Hij verhief zich op de -- der verbeelding in hooger sfeer.
De linker -- van dezen papegaai is verlamd.
De vrees hecht -- aan haar voeten.
Hij is niet in zijn -- geschoten.
Beschermend breidde hij de -- zijner liefde over mij uit.
De linker-- van het gebouw is verwoest.