_Langzamerhand van een gewoonte afstand doen._
~Afwennen~ en ~ontwennen~, beide overgankelijk en wederkeerend gebruikt
en dus met _hebben_ vervoegd, verschillen hierin, dat ~afwennen~
aanwijst, dat men opzettelijk zijn gewoonte of hebbelijkheid tracht af
te leggen, terwijl ~ontwennen~ dit als meer toevallig, onwillekeurig
voorstelt, als gevolg van veranderde omstandigheden. _Op raad van den
dokter heb ik mij het rooken ~afgewend~. De reizigers in een vreemd
werelddeel hebben zich al spoedig het rooken ~ontwend~._--Van slechte
gewoonten zegt men uitsluitend ~afwennen~: _Jongen, je moet dat
stotteren ~afwennen~_ (niet: ontwennen; de werking geschiedt
opzettelijk!).
Worden ~ontwennen~ en ~afwennen~ intrans. gebruikt (dus met _zijn_
vervoegd), dan is er niet zooveel verschil, daar afwennen in dit geval
niet opzettelijk geschiedt; alleen is ~afwennen~ dan sterker, doordat
het aanduidt, dat de vroegere geschiktheid geheel verloren is gegaan,
wat bij ~ontwennen~ niet het geval is. _Hij is het schaatsenrijden
geheel ~afgewend~_, als hij het n.l. niet meer kan en dus weer moet
aanleeren; _hij is het schaatsenrijden ~ontwend~_, wanneer hij het in
langen tijd niet gedaan heeft en het hem eerst dus wel weer vreemd zal
vallen.
* * * * *
Gij moet u --, van iedereen kwaad te willen spreken.
Hij is het Duitsch spreken wel wat --, hoor maar, hoe moeilijk het hem
valt.
Ik ben het kortschrift geheel --, het zal mij heel wat moeite kosten het
opnieuw aan te leeren.
Het verblijf in Java's binnenlanden heeft hem spoedig de
geriefelijkheden der beschaafde maatschappij --.
Het kind is zóó langen tijd in huis gebleven, dat het de buitenlucht
geheel -- is.