32. Ontwennen--afwennen.

_Langzamerhand van een gewoonte afstand doen._

~Afwennen~ en ~ontwennen~, beide overgankelijk en wederkeerend gebruikt

en dus met _hebben_ vervoegd, verschillen hierin, dat ~afwennen~

aanwijst, dat men opzettelijk zijn gewoonte of hebbelijkheid tracht af

te leggen, terwijl ~ontwennen~ dit als meer toevallig, onwillekeurig

voorstelt, als gevolg van veranderde omstandigheden. _Op raad van den

dokter heb ik mij het rooken ~afgewend~. De reizigers in een vreemd

werelddeel hebben zich al spoedig het rooken ~ontwend~._--Van slechte

gewoonten zegt men uitsluitend ~afwennen~: _Jongen, je moet dat

stotteren ~afwennen~_ (niet: ontwennen; de werking geschiedt

opzettelijk!).

Worden ~ontwennen~ en ~afwennen~ intrans. gebruikt (dus met _zijn_

vervoegd), dan is er niet zooveel verschil, daar afwennen in dit geval

niet opzettelijk geschiedt; alleen is ~afwennen~ dan sterker, doordat

het aanduidt, dat de vroegere geschiktheid geheel verloren is gegaan,

wat bij ~ontwennen~ niet het geval is. _Hij is het schaatsenrijden

geheel ~afgewend~_, als hij het n.l. niet meer kan en dus weer moet

aanleeren; _hij is het schaatsenrijden ~ontwend~_, wanneer hij het in

langen tijd niet gedaan heeft en het hem eerst dus wel weer vreemd zal

vallen.

* * * * *

Gij moet u --, van iedereen kwaad te willen spreken.

Hij is het Duitsch spreken wel wat --, hoor maar, hoe moeilijk het hem

valt.

Ik ben het kortschrift geheel --, het zal mij heel wat moeite kosten het

opnieuw aan te leeren.

Het verblijf in Java's binnenlanden heeft hem spoedig de

geriefelijkheden der beschaafde maatschappij --.

Het kind is zóó langen tijd in huis gebleven, dat het de buitenlucht

geheel -- is.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 40 / 279 题