_Zwaren arbeid verrichten._
~Zwoegen~ ziet op een meer kortstondige, maar zeer sterke
krachtsinspanning, zoodat men er van hijgt. _Hoezeer Eliza ~zwoegde~
onder haar dierbaren last (haar kind), toch ijlde zij voort om haar
zoontje te redden._
~Slaven~ doet denken aan een slaaf, die van 's morgens vroeg tot 's
avonds laat zwaar werken moet, zonder zelf de vruchten van zijn arbeid
te plukken; het woord legt vooral den nadruk op het langdurig werken,
terwijl ~sloven~ inzonderheid ziet op het vermoeiende en afmattende van
den langen en zwaren arbeid. _Menig daglooner moet heel wat ~sloven~
voor zijn stukje brood. Tot 's avonds toe laat hij niet af van
~slaven~._ (Psalm 104.)
* * * * *
De man -- onder een zwaren last.
Deze daglooner moet voor zijn dagelijksch brood hard --.
Deze arbeider -- van vroeg tot laat en kan nog ternauwernood in zijn
onderhoud voorzien.
Wat -- ge, o mensch naar goud of eer? (Waarom dit woord, en niet de twee
andere?)
Moege-- en moegezongen slaap ik op den harden grond. (Waarom niet de
beide andere woorden?)
Hij stierf nog jong, maar af-- vóór zijn jaren.