72. Zwoegen--slooven--slaven.

_Zwaren arbeid verrichten._

~Zwoegen~ ziet op een meer kortstondige, maar zeer sterke

krachtsinspanning, zoodat men er van hijgt. _Hoezeer Eliza ~zwoegde~

onder haar dierbaren last (haar kind), toch ijlde zij voort om haar

zoontje te redden._

~Slaven~ doet denken aan een slaaf, die van 's morgens vroeg tot 's

avonds laat zwaar werken moet, zonder zelf de vruchten van zijn arbeid

te plukken; het woord legt vooral den nadruk op het langdurig werken,

terwijl ~sloven~ inzonderheid ziet op het vermoeiende en afmattende van

den langen en zwaren arbeid. _Menig daglooner moet heel wat ~sloven~

voor zijn stukje brood. Tot 's avonds toe laat hij niet af van

~slaven~._ (Psalm 104.)

* * * * *

De man -- onder een zwaren last.

Deze daglooner moet voor zijn dagelijksch brood hard --.

Deze arbeider -- van vroeg tot laat en kan nog ternauwernood in zijn

onderhoud voorzien.

Wat -- ge, o mensch naar goud of eer? (Waarom dit woord, en niet de twee

andere?)

Moege-- en moegezongen slaap ik op den harden grond. (Waarom niet de

beide andere woorden?)

Hij stierf nog jong, maar af-- vóór zijn jaren.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 83 / 279 题