59. Verwisselen--verruilen (of ruilen).

_Zich van iets ontdoen, om er iets anders voor in de plaats te nemen._

~Verruilen~ wil zeggen, dat de handeling opzettelijk en met eens anders

toestemming geschiedt, terwijl het verruilde voorwerp een anderen

eigenaar krijgt. _Ik heb mijn kleurdoos tegen zijn passerdoos

~verruild~._

~Verwisselen~ duidt aan, dat daarbij niet de toestemming van een ander

wordt vereischt, terwijl de handeling ook zonder opzet kan geschieden.

Bovendien kan men slechts gelijksoortige zaken verwisselen. _Bij

vergissing had ik mijn hoed tegen den zijnen ~verwisseld~._ (De

handeling is toevallig.)--_Kinderen, ~verwisselt~ de leien!_ (De

handeling is wel opzettelijk, maar elkanders toestemming is niet

vereischt; ook veranderen de leien niet van eigenaars.) Wat beteekent:

De kinderen _verruilen_ de leien?

* * * * *

Zij -- spoedig haar balcostuum tegen een huisjapon.

De beide ontvangers hebben van standplaats --.

In vroeger tijd dreef men uitsluitend --handel.

De kinderen spelen vaak »boompje --".

Ik zou met al zijn geld toch niet graag met hem --.

De Zuidelijke Nederlanden zijn nog al eens vaak van naam --.

Engeland heeft Helgoland tegen een deel van Afrika --.

De beide vrouwen, die voor Salomo's vierschaar verschenen, hadden

elkanders kinderen --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 69 / 279 题