229. Begeeren--verlangen--wenschen--smachten--haken--reikhalzen.

_Gaarne in het bezit of genot van iets komen._

~Begeeren~ zegt, dat men naar dat bezit of genot vrij sterk streeft:

_Gij zult niet ~begeeren~ uws naasten huis_[1]. ~Verlangen~ heeft de

bijgedachte, dat iets nog ver is, en dus op dit oogenblik nog niet

vervuld kan worden (_langen_ is: naar iets reiken): _hij ~verlangt~

er nu reeds naar, om naar 't vaderland terug te keeren_. (Zie ook een

andere beteekenis in no. 183.) ~Wenschen~ is: iets gaarne willen hebben,

zonder te weten of de vervulling wel mogelijk is: _hij ~wenscht~ in

het vaderland te sterven_. ~Smachten~ is zeer sterk verlangen, zoodat

het min of meer onaangenaam valt, evenals iemand, die naar water

smacht: _Zij ~smachten~ naar het uur, waarop zij henensnellen_ (Tollens:

Nova-Zembla); vandaar ook: _~smachten~ van ~verlangen~_. ~Haken~ is een

sterk verlangen om iets naar zich toe te halen, als met een haak: _hij

~haakt~ naar eer en roem_. ~Reikhalzen~ is een min of meer _ongeduldig_

sterk verlangen; het wachten valt bijna te lang (men rekt den hals uit

om iets eerder te kunnen genieten): _hij ziet ~reikhalzend~ naar uw

komst uit_.

[1] ~Geeren~ is: op één punt uitloopen, hier ons streven.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 248 / 279 题