_Deze woorden duiden aan, dat men zich inspant om een of ander werk tot
stand te brengen._
Bij ~ijverig~ denkt men aan de opgewektheid en volharding, soms zelfs
aan de vurigheid, waarmee men werkt. _Een ~ijverig~ leerling tracht ook
de moeilijkste les te leeren._ (Het ligt in zijn aard, steeds zóó te
studeeren.)
~Vlijtig~ duidt aan, dat men de taak zoo spoedig mogelijk (dus zonder
oponthoud), maar ook zoo goed men kan afmaakt. _Hij zit ~vlijtig~ te
studeeren_ (d.w.z. hij studeert zonder zich te laten ophouden en spant
zich in, om alles zoo goed mogelijk te begrijpen; hij behoeft daarom
niet van nature met zooveel liefde voor de studie bezield te zijn,
zooals een ~ijverig~ student.)
~Naarstig~ komt weinig meer voor; men zegt het vooral nog van kinderen,
die niet speelsch zijn, maar hun goeden wil en oplettendheid toonen, om
het opgegeven werk naar behooren af te maken. Soms ook duidt het aan,
dat men voortdurend bezigheid zoekt, in plaats van ledig te zitten. _Zoo
traag deze jongen is, zoo ~naarstig~ is zijn zuster. Dat meisje is een
~naarstig~ kind; zij zit daar al weer te breien._
~Nijver~ wijst aan, dat men aanhoudend en met overleg werkt, om de
vruchten van zijn arbeid te kunnen plukken. _De ~nijvere~ bijen_
verzamelen reeds in den zomer haar voedsel voor den winter. Soms
beteekent het ook: geneigd tot industrie, bijv. _het ~nijvere~ Twente_.
* * * * *
Als gij -- doorwerkt, kunt gij van avond wel klaar zijn.
Gij moogt wel wat -- (vergr. trap) bij uw werk zijn; ik geloof, dat gij
er weinig lust in hebt.
Zij is een -- kind, men ziet haar bijna nooit ledig zitten.
De -- landman zag zijn moeiten met een rijken oogst beloond.
Van deze zaak is hij een -- voorstander.
Een -- hand met een sparigen tand koopt anderlui's land.
In die streek woont een -- bevolking.