_Iemand doen boeten voor bedreven kwaad._
~Straffen~ zegt dit in het algemeen, dus zonder nadere aanduiding. _De
dief werd met 3 jaren gevangenis ~gestraft~._
~Bestraffen~ zegt, dat alleen een berisping (een afkeuring in woorden)
wordt toegediend, en heeft dus betrekking op mindere vergrijpen. _Voor
zijn lichtzinnig gedrag liep hij een ~bestraffing~ op._
~Tuchtigen~ en ~kastijden~ hebben de bijgedachte, dat men den gestrafte
wil verbeteren. ~Tuchtigen~ stelt de verbetering evenwel zoo goed
als onmogelijk voor en is dus min of meer een wraakneming, terwijl
~kastijden~ den gestrafte wel voor verbetering vatbaar acht. Bovendien
doet kastijden vooral aan lichamelijke straf denken. _De roofzuchtige
Kafferstammen werden door de Boeren meermalen ~getuchtigd~.--De vader
~kastijdde~ den ongehoorzamen knaap._
* * * * *
De overtreder wordt met een geldboete --.
Wie wèl bemint, -- zijn kind.
De bediende ontving voor zijn onvoorzichtigheid een welverdiende --.
Sommige monniken -- zich.
Karel de Vijfde deed een tocht naar Algiers om de zeeroovers te --.
Hij is voor zijn misdaad reeds zwaar genoeg --.