132. Straffen--bestraffen--tuchtigen--kastijden.

_Iemand doen boeten voor bedreven kwaad._

~Straffen~ zegt dit in het algemeen, dus zonder nadere aanduiding. _De

dief werd met 3 jaren gevangenis ~gestraft~._

~Bestraffen~ zegt, dat alleen een berisping (een afkeuring in woorden)

wordt toegediend, en heeft dus betrekking op mindere vergrijpen. _Voor

zijn lichtzinnig gedrag liep hij een ~bestraffing~ op._

~Tuchtigen~ en ~kastijden~ hebben de bijgedachte, dat men den gestrafte

wil verbeteren. ~Tuchtigen~ stelt de verbetering evenwel zoo goed

als onmogelijk voor en is dus min of meer een wraakneming, terwijl

~kastijden~ den gestrafte wel voor verbetering vatbaar acht. Bovendien

doet kastijden vooral aan lichamelijke straf denken. _De roofzuchtige

Kafferstammen werden door de Boeren meermalen ~getuchtigd~.--De vader

~kastijdde~ den ongehoorzamen knaap._

* * * * *

De overtreder wordt met een geldboete --.

Wie wèl bemint, -- zijn kind.

De bediende ontving voor zijn onvoorzichtigheid een welverdiende --.

Sommige monniken -- zich.

Karel de Vijfde deed een tocht naar Algiers om de zeeroovers te --.

Hij is voor zijn misdaad reeds zwaar genoeg --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 149 / 279 题