_Door een gevoel van vrees of angst beklemd._
~Bevreesd~ duidt aan, dat iemand vrees koestert. (Zie no. 166.) _Hij was
~bevreesd~, zijn geld te verliezen._
~Beangst~ is sterker. (Zie no. 166.) _De ouders waren ~beangst~, dat zij
kun kind zouden verliezen._
~Beducht~ wijst er op, dat men over den afloop of den uitslag bevreesd
is; het behoort hoofdzakelijk tot den deftigen stijl. _Gij behoeft voor
zijn lot niet ~beducht~ te zijn._
~Bezorgd~ is men, als men zorg, onrust over iets heeft. _Ik ben
~bezorgd~ over het behoud van zijn leven._
~Bekommerd~ is veel sterker; het wijst op groote en drukkende onrust of
verdriet. _De vader zat ~bekommerd~ neer bij het ziekbed van zijn kind._
* * * * *
_Als er in de volgende zinnen meer woorden ingevuld kunnen worden, geef
dan telkens de schakeering in de beteekenis op._
De moeder was zeer --, dat haar zoon iets zou ontbreken.
Met een -- gelaat zag de ongelukkige ons aan.
Hij maakte zich bij het geritsel in de takken zoo --, dat het zweet hem
uitbrak.
Niet ten onrechte maakte de vorst zich -- over den toenemenden opstand.
Hij was --, dat hij dien niet zou kunnen onderdrukken.
De veldheer was slechts een oogenblik -- den vijand te ontmoeten;
spoedig vermande hij zich en gaf bevel tot den aanval.
Met een -- hart wachtten de ouders tevergeefs op de terugkomst van hun
zoon.
De dokter is -- over de wending, die de ziekte neemt.
Gij behoeft niet -- te zijn, dat hij u zal verraden; hij is in alle
opzichten te vertrouwen.
Toen de onweersbui boven hem losbrak, werd hij zeer --.
Met een -- gemoed was hij gekomen; met een verlicht hart verliet hij
ons weer.