_Deze woorden geven te kennen, dat het uiterlijk of de handelingen in
overeenstemming zijn met den ernst der omstandigheden._
~Deftig~ wijst aan, dat vooral achtbaarheid, waardigheid of
voornaamheid op den voorgrond treedt; het wordt zoowel van personen als
van zaken gezegd. _Hij kleedt zich altijd even ~deftig~. Een ~deftig~
publiek. Een ~deftig~ huis. Een ~deftige~ begrafenis._
~Statig~ noemt men handelingen, die van uiterlijke praal (statie)
vergezeld gaan en vooral berekend zijn om indruk, ontzag, eerbied te
wekken: _een ~statige~ tred_. Ook gebruikt men dit woord om te kennen te
geven, dat het uiterlijk van een persoon of een ding door waardigheid of
ouderdom ontzag inboezemt: _Een ~statige~ gestalte. Een ~statige~ eik._
~Plechtig~ is afgeleid van plicht, dat oudtijds ambt of bediening
beteekende. Het heeft dan ook vooral betrekking op deftige ceremoniën,
die aan zeker ambt of waardigheid verbonden zijn. _Een ~plechtige~
audiëntie._ Bij uitbreiding van beteekenis wijst het ook handelingen
aan, die aan de deftigheid tevens grooten ernst paren, of indrukwekkend
zijn; bijv. _een ~plechtige~ gelofte; hoe is Natuur zoo stil, zoo
~plechtig~_.
* * * * *
Toen de koning binnentrad, heerschte er een -- stilte. Met -- tred begaf
hij zich naar den troon en legde op -- toon den eed op de grondwet af.
Wie woont er in dat -- huis?
Jaarlijks op St.-Jan wordt in Laren (N.-H.) een -- processie gehouden.
De -- Koningslaan tegenover Soestdijk is een der schoonste van ons land.
Bij die gelegenheid had hij zich -- gekleed.
Hoe -- rijst de dagvorstin omhoog in het -- morgenuur.
De -- Dom van Keulen is een der schoonste gebouwen van Duitschland.
Op de Keizersgracht te Amsterdam vindt men vele -- huizen.
Ik verzeker u --, die woorden nooit gesproken te hebben.
Gebruik nu in zinnen: deftigheid, statigheid, plechtigheid.