_Weinig beduidende dingen zeggen._
~Snappen~ zegt men van kleine kinderen, die altijd wat te vertellen
hebben en dat snel en zonder ophouden doen.
~Babbelen~ wordt van groote menschen en van schoolkinderen gezegd;
soms heeft het de onschuldige beteekenis verloren en duidt het meer
kwaadspreken aan. _Zij is een eerste ~babbelaarster~: vertrouw haar geen
geheim toe._
Wil men op afkeurende wijze te kennen geven, dat iemand zich luide doet
hooren, bijv. bij een kijfpartij, dan gebruikt men ~kakelen~. _Hoor die
vrouw daar eens staan te ~kakelen~, mijn ooren tuiten er van._--~Praten~
doet men, als men met iemand een gesprek voert over alledaagsche zaken,
meestal uit tijdverdrijf. (Van ernstiger dingen zegt men _spreken_. _Kom
eens bij me ~praten~. Is mijnheer te ~spreken~?_)--~Kouten~ onderstelt,
dat men met elkander schertsend praat en in die scherts genoegen vindt.
* * * * *
Hoor die kleine meid eens --, haar mondje staat geen oogenblik stil.
Niemand mag onder de les --; dat is veel te hinderlijk.
Zij zaten zoo druk over koetjes en kalfjes te --, dat zij aan geen tijd
meer dachten.
Ik geloof, dat zij weer leelijk aan het -- is geweest.
De gasten in de herberg zaten vroolijk bij 't knappend vuur te --:
meermalen steeg er een hartelijk gelach op.
Trijn is verkouden, schor en heesch.
»Nog wil 't wijf --", zegt Kees.
Dat 's een van d'ellendigste gebreken:
Een vrouw, die zwijgen kan noch spreken.