106. Babbelen--praten--kouten--snappen--kakelen.

_Weinig beduidende dingen zeggen._

~Snappen~ zegt men van kleine kinderen, die altijd wat te vertellen

hebben en dat snel en zonder ophouden doen.

~Babbelen~ wordt van groote menschen en van schoolkinderen gezegd;

soms heeft het de onschuldige beteekenis verloren en duidt het meer

kwaadspreken aan. _Zij is een eerste ~babbelaarster~: vertrouw haar geen

geheim toe._

Wil men op afkeurende wijze te kennen geven, dat iemand zich luide doet

hooren, bijv. bij een kijfpartij, dan gebruikt men ~kakelen~. _Hoor die

vrouw daar eens staan te ~kakelen~, mijn ooren tuiten er van._--~Praten~

doet men, als men met iemand een gesprek voert over alledaagsche zaken,

meestal uit tijdverdrijf. (Van ernstiger dingen zegt men _spreken_. _Kom

eens bij me ~praten~. Is mijnheer te ~spreken~?_)--~Kouten~ onderstelt,

dat men met elkander schertsend praat en in die scherts genoegen vindt.

* * * * *

Hoor die kleine meid eens --, haar mondje staat geen oogenblik stil.

Niemand mag onder de les --; dat is veel te hinderlijk.

Zij zaten zoo druk over koetjes en kalfjes te --, dat zij aan geen tijd

meer dachten.

Ik geloof, dat zij weer leelijk aan het -- is geweest.

De gasten in de herberg zaten vroolijk bij 't knappend vuur te --:

meermalen steeg er een hartelijk gelach op.

Trijn is verkouden, schor en heesch.

»Nog wil 't wijf --", zegt Kees.

Dat 's een van d'ellendigste gebreken:

Een vrouw, die zwijgen kan noch spreken.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 119 / 279 题