112. Buitenlandsch--uitheemsch--vreemd.

_Wat buiten onze grenzen thuis behoort._

~Buitenlandsch~ noemt men zoowel datgene, wat een ander land betreft,

als hetgeen er geschiedt of voorkomt en wel in tegenstelling met

binnenlandsch; bijv. het _buitenlandsch_ verkeer; de _buitenlandsche_

handel; _buitenlandsche_ berichten; _buitenlandsche_ onlusten.

~Uitheemsch~ is ook buitenlandsch, maar 't voegt er de gedachte bij,

dat het uitheemsche niet in ons eigen land voorkomt: _uitheemsche_

gebruiken. (»Uitheemsche" handel kan niet, immers in ons land is óók wel

handel.)--Daar men licht geneigd is, op hetgeen uitheemsch is, laag neer

te zien, heeft het soms een ongunstige beteekenis: _Gij moet nooit

~uitheemsche~ dingen navolgen._

~Vreemd~ beteekent: wat in ons land of in de naaste omgeving geheel

onbekend is en dus van verre streken afkomstig moet zijn. _Dit is een

~vreemde~ soort aardappel._

Verder kan ~vreemd~ nog andere beteekenissen hebben, als: niet van onze

familie: mijn zoon bracht een _vreemden_ gast mee; onbekend: zij is mij

geheel _vreemd_; ongewoon: een _vreemd_ geval; zonderling: een _vreemde_

kleeding; enz.

* * * * *

De minister van -- zaken heeft zijn ontslag genomen.

Deze -- plant schijnt hier goed te tieren.

Dat is een -- plant; ik zie ze voor het eerst hier groeien.

Wat heeft die mijnheer -- gewoonten.

Wij zullen de volgende week een -- reisje maken.

In den Dierentuin vindt men prachtige -- gewassen.

In dien -- oorlog zijn heel wat menschen omgekomen.

Er heerschen in dat land -- zeden.

Als dit voorval maar geen aanleiding geeft tot -- verwikkelingen!

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 127 / 279 题