_Wat buiten onze grenzen thuis behoort._
~Buitenlandsch~ noemt men zoowel datgene, wat een ander land betreft,
als hetgeen er geschiedt of voorkomt en wel in tegenstelling met
binnenlandsch; bijv. het _buitenlandsch_ verkeer; de _buitenlandsche_
handel; _buitenlandsche_ berichten; _buitenlandsche_ onlusten.
~Uitheemsch~ is ook buitenlandsch, maar 't voegt er de gedachte bij,
dat het uitheemsche niet in ons eigen land voorkomt: _uitheemsche_
gebruiken. (»Uitheemsche" handel kan niet, immers in ons land is óók wel
handel.)--Daar men licht geneigd is, op hetgeen uitheemsch is, laag neer
te zien, heeft het soms een ongunstige beteekenis: _Gij moet nooit
~uitheemsche~ dingen navolgen._
~Vreemd~ beteekent: wat in ons land of in de naaste omgeving geheel
onbekend is en dus van verre streken afkomstig moet zijn. _Dit is een
~vreemde~ soort aardappel._
Verder kan ~vreemd~ nog andere beteekenissen hebben, als: niet van onze
familie: mijn zoon bracht een _vreemden_ gast mee; onbekend: zij is mij
geheel _vreemd_; ongewoon: een _vreemd_ geval; zonderling: een _vreemde_
kleeding; enz.
* * * * *
De minister van -- zaken heeft zijn ontslag genomen.
Deze -- plant schijnt hier goed te tieren.
Dat is een -- plant; ik zie ze voor het eerst hier groeien.
Wat heeft die mijnheer -- gewoonten.
Wij zullen de volgende week een -- reisje maken.
In den Dierentuin vindt men prachtige -- gewassen.
In dien -- oorlog zijn heel wat menschen omgekomen.
Er heerschen in dat land -- zeden.
Als dit voorval maar geen aanleiding geeft tot -- verwikkelingen!