Op bergen en in dalen, Ja -- is God. (Nu denkt men aan alle plaatsen!
Waarom gebruikt men niet _allerwegen_?)
Het feest van 's konings troonsbestijging werd -- in den lande met
opgewektheid gevierd.
Er heerschte -- in de stad een feestelijke stemming.
Deze plant vindt gij -- verspreid.
De mare van zijn heldenfeit was spoedig -- verspreid.
Hij staat -- bekend als een eerste kaatser.
Langs de kaden van Rotterdam heerscht -- een ongekende bedrijvigheid.
Hij volgt mij --, waar ik ga.