God is -- tegenwoordig. (Waarom is dit woord beter dan _overal_?)

Op bergen en in dalen, Ja -- is God. (Nu denkt men aan alle plaatsen!

Waarom gebruikt men niet _allerwegen_?)

Het feest van 's konings troonsbestijging werd -- in den lande met

opgewektheid gevierd.

Er heerschte -- in de stad een feestelijke stemming.

Deze plant vindt gij -- verspreid.

De mare van zijn heldenfeit was spoedig -- verspreid.

Hij staat -- bekend als een eerste kaatser.

Langs de kaden van Rotterdam heerscht -- een ongekende bedrijvigheid.

Hij volgt mij --, waar ik ga.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 124 / 279 题