_Laten zien._
~Toonen~ drukt dit begrip zonder meer uit, terwijl ~wijzen~ de
bijgedachte heeft, dat men iemand wil helpen of onderrichten. _~Toon~
mij den brief en ik zal u ~wijzen~, hoe gij dien verbeteren moet. ~Wijs~
hem den weg eens._
~Wijzen~ kan ook gebruikt worden zonder lijdend voorwerp en onderstelt
dan, dat men iemand op iets opmerkzaam wil maken: _hij ~wees~ met den
vinger naar ons; zij ~wees~ op haar stoel_.
~Toonen~ komt soms ook voor in de beteekenis van: laten blijken, zonder
dat dit steeds opzettelijk behoeft te geschieden. _Zij ~toont~ weinig
verstand van de zaak te hebben._
* * * * *
Ik zal u even --, hoe de weg loopt.
Om hem te --, dat ik het goed met hem meende, heb ik hem de gevraagde
hulp verleend.
Wanneer gij hem uw overmacht --, zal hij zich wel laten gezeggen.
Hij -- zich met het geschenk niet tevreden.
Ik zal u mijn opstel --, maar dan moet gij mij --, hoe ik de fouten moet
verbeteren.
De zieke zeide niets, maar -- voortdurend op zijn voorhoofd.