80. Overwinning--zege--zegepraal.

_De gunstige uitslag van den strijd._

~Overwinning~ ziet meer op den goeden uitslag, ~zege~ meer op het

moeilijke van den strijd en den daarmee gepaard gaanden roem. Toch wordt

dit onderscheid niet altijd in acht genomen en gebruikt men ~zege~, dat

meer tot den deftigen stijl beperkt is, ook in plaats van overwinning.

_Na de ~overwinning~ keerden de onzen met grooten buit terug.--Met

groote dapperheid bevochten de onzen de ~zege~._

(Verklaar nu, waarom men zegt: de overwinning _behalen_, en de zege

_bevechten_. En waarom spreekt men van een _beslissende_ overwinning en

van ~zege~teekenen?)

~Zegepraal~ (triumf) was bij de Romeinen eigenlijk de plechtige intocht,

dien een veldheer na een beslissende overwinning in Rome mocht houden;

bij dezen intocht werden de zegeteekenen meegevoerd[1]; thans duidt men

met zegepraal meer den _vreugdevollen_ optocht na de overwinning aan.

(Verklaar die beteekenis uit de oorspronkelijke!) _Het houten paard der

Grieken werd in ~zegepraal~ binnen Troje gebracht._[1]

[1] Zie uitvoeriger mijn »Wetenswaardig Allerlei".

* * * * *

De onzen behaalden een beslissende -- op den vijand.

Eindelijk werd de -- door de onzen bevochten.

De gevangen vorst werd in -- door de stad gevoerd.

Wie heeft in den wedstrijd de -- behaald?

Het zegevierend leger trok in -- naar de stad terug.

Iedere nieuwe -- vlocht weer een nieuwen lauwer om Maurits' slapen.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 91 / 279 题