_De gunstige uitslag van den strijd._
~Overwinning~ ziet meer op den goeden uitslag, ~zege~ meer op het
moeilijke van den strijd en den daarmee gepaard gaanden roem. Toch wordt
dit onderscheid niet altijd in acht genomen en gebruikt men ~zege~, dat
meer tot den deftigen stijl beperkt is, ook in plaats van overwinning.
_Na de ~overwinning~ keerden de onzen met grooten buit terug.--Met
groote dapperheid bevochten de onzen de ~zege~._
(Verklaar nu, waarom men zegt: de overwinning _behalen_, en de zege
_bevechten_. En waarom spreekt men van een _beslissende_ overwinning en
van ~zege~teekenen?)
~Zegepraal~ (triumf) was bij de Romeinen eigenlijk de plechtige intocht,
dien een veldheer na een beslissende overwinning in Rome mocht houden;
bij dezen intocht werden de zegeteekenen meegevoerd[1]; thans duidt men
met zegepraal meer den _vreugdevollen_ optocht na de overwinning aan.
(Verklaar die beteekenis uit de oorspronkelijke!) _Het houten paard der
Grieken werd in ~zegepraal~ binnen Troje gebracht._[1]
[1] Zie uitvoeriger mijn »Wetenswaardig Allerlei".
* * * * *
De onzen behaalden een beslissende -- op den vijand.
Eindelijk werd de -- door de onzen bevochten.
De gevangen vorst werd in -- door de stad gevoerd.
Wie heeft in den wedstrijd de -- behaald?
Het zegevierend leger trok in -- naar de stad terug.
Iedere nieuwe -- vlocht weer een nieuwen lauwer om Maurits' slapen.