_Een deel der ruimte._
~Oord~ heeft de meest algemeene beteekenis; het doet denken aan een
eenigszins uitgestrekte ruimte, waarvan men de grenzen niet nauwkeurig
opgeeft. _De trekvogels zoeken in het najaar een warmer ~oord~ op._
~Plaats~ ziet meer op een begrensd deel der ruimte, soms ook op een
nederzetting van menschen (dorp, stad, buurt, enz.), terwijl ~plek~
bovendien aanduidt, dat die ruimte betrekkelijk klein is. _Ieder
lichaam neemt ~plaats~ in_ (d.w.z. een begrensd deel der ruimte;
_oord_ of _plek_ kan dus niet dienen). _In zijn ~plaats~ zou ik anders
handelen._ (Hier is _~plaats~_ figuurlijk gebruikt naar aanleiding van
de letterlijke beteekenis, dat iemand plaats inneemt.) _Op de Veluwe
vindt men niet vele groote ~plaatsen~. Dit ~plekje~ in het bosch is ons
dierbaar_ (een kleine plaats).
* * * * *
De --, waar het geld verborgen ligt, kan niemand terugvinden.
In Amerika vindt men vele onherbergzame --.
In ons land wordt nog op vele -- die gewoonte gevolgd.
O dierbaar -- grond, waar eens mijn wieg op stond.
Vele Boeren verlieten hun land om een rustiger -- op te zoeken.
Hij is hier de rechte man op de rechte --.
Op deze -- moet eens een kapel gestaan hebben.
In zulk een afgelegen -- zou ik niet kunnen wonen.
Op de --, waar thans de Dollart golft, vond men vroeger welvarende
dorpen. (Waarom is _plek_ hier niet juist?)