B.

_baan_, 222.

babbelen, 106.

bangheid, 166.

barmhartig, 162.

barsch, 97.

barst, 141.

beangst, 167.

_bedaagd_, 217.

bedaard, 140.

bedenkelijk, 172.

bedenken (zich), 184.

bediening, 143.

bedillen, 139.

bedriegen, 105.

bedriegelijk, 159.

bedrijf, 142.

bedroefd, 119.

bedrukt, 119.

beducht, 167.

bedwingen, 155.

befaamd, 104.

_begeeren_, 229.

begrijpen, 117.

behaaglijk, 165.

behalen, 161.

behandelen, 19.

beheerschen, 155.

behoeden, 168.

behoedzaam, 134.

behoeftig, 94.

_bejaard_, 217.

bejegenen, 19.

bekennen, 113.

bekomen, 161.

bekommerd, 167.

bekoorlijk, 165.

bekoren, 89.

bekrompen, 84.

bekwaam, 177.

_belangrijk_, 213.

beleedigen, 188.

beletten, 169.

belijden, 113.

beloonen, 53.

_bemachtigen_, 194.

_bemiddeld_, 228.

benieuwd, 60.

benijden, 67.

bepalen, 70.

berispen, 139.

beroemd, 104.

beroep, 142.

berouw, 174.

berucht, 104.

_beschaven_, 191.

beschermen, 168.

beschuldigen, 156.

beschutten, 168.

beseffen, 117.

bespotten, 188.

bestendig, 170.

bestraffen, 132.

besturen, 101.

beteugelen, 155.

betichten, 156.

betoomen, 155.

betoonen, 64.

_betreffen_, 210.

betuigen, 64.

bevallig, 165.

bevatten, 117.

beveiligen, 168.

bevelen, 90.

beven, 163.

_bevorderen_, 230.

bevreemden, 154.

bevreesd, 167.

_bevrijden_, 212.

bewaren, 168.

beweren, 100.

bewijzen, 64.

bezadigd, 140.

_bezigheid_, 219.

_bezitten_, 195.

bezorgd, 167.

bibberen, 163.

bidden, 114.

blijdschap, 185.

_bloem_, 196.

_bloesem_, 196.

boosheid, 186.

bot, 18.

bouwen, 103.

_branden_, 234.

breed, 50.

breedvoerig, 187.

buigbaar, 7.

buigen, 41.

buigzaam, 7.

buit, 171.

buitenlandsch, 112.

_bijdragen_, 230.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 258 / 279 题