_Den moed hebben om iets, dat gevaarlijk of moeilijk is, te ondernemen._
~Wagen~ onderstelt, dat er aan de onderneming gevaar verbonden is en dat
de uitslag niet zeker is, daar er zich verschillende zwarigheden kunnen
opdoen, die men vooraf niet had kunnen voorzien. _De vluchteling stond
eensklaps voor een breeden afgrond; toch ~waagde~ hij den sprong om zijn
vervolgers te ontkomen._
~Durven~ wijst aan, dat men den moed bezit, om het gevaar kalm te
trotseeren of de mogelijke nadeelige gevolgen van zijn daad op zich te
willen nemen. _Niettegenstaande het _»verboden toegang"_ ~durfde~ hij
toch in het bosch te wandelen. Niemand ~durfde~ zich in het brandende
huis te ~wagen~._ (Verklaar beide woorden: durven en wagen!)
~Zich verstouten~ wijst aan, dat men meer bij oogenblikkelijke opwelling
de vreesachtigheid overwint en dan moed voelt ontwaken. _Eerst ~durfde~
ik niet over de zaak te spreken, maar later ~verstoutte~ ik ~mij~ en
zeide hem de waarheid vlak in zijn gezicht._
Gaat het ~zich verstouten~ gepaard met overschatting van zijn kracht,
zoodat de onderneming groot gevaar loopt te mislukken, dan spreekt men
van ~zich vermeten~; het heeft dus altijd een min of meer ongunstige
bijbeteekenis. _Een vorst, die ~zich vermeet~, de rechten des volks met
voeten te treden, ondermijnt zelf zijn troon._
* * * * *
Wie niet --, die niet wint.
Ik -- het u bijna niet te vertellen, wat hij van u gezegd heeft.
Een oogenblik weifelde hij; toen echter -- hij zich eensklaps en -- den
gevaarlijken sprong.
Hoe hij zich heeft -- --, zijn meerderen openlijk aan te vallen, kon
niemand zich begrijpen.
Gij kunt op mijn medewerking niet rekenen; aan zulk een onderneming --
ik niet mee te doen.
Ik -- het, uw hulp in te roepen.
Langen tijd verdroeg hij lijdelijk de spotternij zijner medeleden, tot
hij zich eensklaps -- hen een gevoelige afstraffing toe te dienen.
Wie zou zich --, Gods wegen te willen doorgronden?
»Goed zoo, ge--! om een buil niet geven, -- maar het harte, dan volgt
ook de voet!" (De Schaatsenrijder.)