_Deze woorden worden gebruikt om aan te duiden, dat men twijfelt aan de
waarheid, van hetgeen een ander zegt._
~Beweren~ geeft alleen den blooten twijfel te kennen; het beweerde kan
wel waar zijn, maar het moet nog nader bewezen of aangetoond worden;
zoolang het bewijs niet is geleverd, kan men het beweerde nog niet als
waarheid aannemen. _Hij ~beweert~, dat hij in een half uur van Baarn
naar Amersfoort kan fietsen_ (d.w.z. ik beschouw het wel niet als
onmogelijk, maar gelooven doe ik het nog niet, vóórdat hij dien rit van
12 K.M. in een half uur gedaan heeft). _De dagbladen ~beweren~, dat de
vrede gisteren geteekend is_ (d.w.z. men twijfelt aan de waarheid,
zoolang nadere bewijzen nog ontbreken).
~Voorgeven~ drukt uit, dat men alle reden heeft om aan de waarheid van
iemands woorden te twijfelen; het is dus zoo goed als zeker, dat hij
onwaarheid spreekt. _Zij ~gaf voor~, hoofdpijn te hebben en mij daarom
niet te kunnen ontvangen._
Zegt men van iemand, dat hij iets ~voorwendt~, dan geeft men te kennen,
dat hij opzettelijk een leugen bezigt, om een of ander doel te bereiken;
hetgeen voorgewend wordt, is dus beslist een leugen. _Zij ~wendde~
hoofdpijn ~voor~, teneinde mij niet behoeven te ontvangen._
~Beweren~ onderstelt dus, dat de waarheid van 't beweerde mogelijk is,
~voorgeven~, dat de waarheid sterk betwijfeld mag worden en
~voorwenden~, dat de waarheid geheel buitengesloten is.
* * * * *
Ik hoorde zooeven --, dat het ministerie zal aftreden.
Dit dagblad --, dat in Amerika het telefoneeren zonder draad is
uitgevonden.
Deze dame --, nog geen 25 jaren oud te zijn.
De koning heeft een lichte ongesteldheid --, om van de feestelijkheden
bevrijd te zijn.
De moordenaar bleef --, uit zelfverdediging te hebben gehandeld, hoewel
het bewezen is, dat hij zijn slachtoffer heeft uitgeplunderd.
Aan mijn verzoek om de rekening voor mij te betalen, kon hij niet
voldoen onder --, dat hij zelf kort bij kas was.
Al zijn kwalen zijn slechts --, om van werken ontslagen te zijn.