219. Bezigheid--arbeid--werk--werkzaamheid.

_De verrichting van een werking._

~Arbeid~ gaat gepaard met de inspanning van onze krachten, om iets,

waaraan veel moeite verbonden is, tot stand te brengen: _Een vermoeiende

~arbeid~._--~Werk~ eischt niet bepaald groote krachtinspanning

maar onderstelt meer kunst, vaardigheid of overleg: _zijn verbeelding

is weer aan 't ~werk~; dat is het ~werk~ zijner verbeelding;

dagelijksch ~werk~; de drooglegging der Zuiderzee is een grootsch

~werk~_ (overleg: 't overwinnen van vele hinderpalen door 't menschelijk

vernuft).--Arbeid en werk hebben betrekking op een tijdelijke werking;

bezigheid en werkzaamheid (gewoonlijk meervoud) zien meer op een telkens

terugkeerende handeling. ~Bezigheid~ onderstelt een voortdurend werken

zonder zware inspanning: _hij zoekt ~bezigheid~_; ook wordt het gezegd

van het werk, dat ambt of beroep meebrengt: _wegens ~ambtsbezigheden~

verhinderd_. ~Werkzaamheid~ is sterker en onderstelt meer een bedrijvig

werken: in 't enkelvoud meer den lust tot werken; in 't meervoud de

handelingen zelf.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 238 / 279 题