_De verrichting van een werking._
~Arbeid~ gaat gepaard met de inspanning van onze krachten, om iets,
waaraan veel moeite verbonden is, tot stand te brengen: _Een vermoeiende
~arbeid~._--~Werk~ eischt niet bepaald groote krachtinspanning
maar onderstelt meer kunst, vaardigheid of overleg: _zijn verbeelding
is weer aan 't ~werk~; dat is het ~werk~ zijner verbeelding;
dagelijksch ~werk~; de drooglegging der Zuiderzee is een grootsch
~werk~_ (overleg: 't overwinnen van vele hinderpalen door 't menschelijk
vernuft).--Arbeid en werk hebben betrekking op een tijdelijke werking;
bezigheid en werkzaamheid (gewoonlijk meervoud) zien meer op een telkens
terugkeerende handeling. ~Bezigheid~ onderstelt een voortdurend werken
zonder zware inspanning: _hij zoekt ~bezigheid~_; ook wordt het gezegd
van het werk, dat ambt of beroep meebrengt: _wegens ~ambtsbezigheden~
verhinderd_. ~Werkzaamheid~ is sterker en onderstelt meer een bedrijvig
werken: in 't enkelvoud meer den lust tot werken; in 't meervoud de
handelingen zelf.