_Wat een kind eigen is._
~Kinderachtig~ heeft een ongunstige beteekenis; het duidt aan, dat
volwassen menschen zich gedragen, alsof zij nog even weinig verstand als
een kind hadden. _Hoe ~kinderachtig~ van haar zoo bang voor spinnen te
zijn!_
~Kinderlijk~ is alles, wat met den aard van het kind overeenkomt, en wel
in gunstigen zin genomen. _Kinderlijke_ spelen.
~Kindsch~ geeft te kennen, dat van oude menschen de geestvermogens zóó
zijn verzwakt, dat zij als 't ware weer kinderen zijn geworden. _Deze
oude vrouw is sedert een paar jaren geheel ~kindsch~._--Een enkele maal
heeft kindsch nog de letterlijke beteekenis: _Uit mijn ~kindsche~ jaren
herinner ik mij nog, dat wij vaak paaschvuren stookten._
(Men lette er op, dat kindschheid de fig., en kindsheid de letterlijke
beteekenis heeft.)
* * * * *
Foei, wat doet die groote jongen nog --.
Met -- liefde hing de knaap zijn ouders aan.
Gij moet niet te veel waarde aan de verhalen van dezen grijsaard
hechten: hij begint reeds -- te worden.
Zijn -- vertrouwen op God werd niet beschaamd.
Sedert mijn -- dagen ben ik daar niet meer geweest.
In zijn -- eenvoud gaf de boer den vorst de hand en vraagde, hoe hij het
maakte.