_Deze woorden duiden aan, dat iets ons vreemd toeschijnt._
Wat anders uitkomt, dan wij verwacht hadden, of wat nieuw,
onbegrijpelijk of onverwacht voor ons is, ~verwondert~ ons. _Het
~verwondert~ mij, dat hij met zulk weer nog gekomen is._ (Het is
anders, dan wij verwacht hadden.) _Het ~verwondert~ een kind, dat de
magneetnaald altijd naar het noorden wijst._ (Een natuurkundige vindt
het zeer gewoon, maar een kind begrijpt het niet.) _Het ~verwonderde~
hem, zijn vriend daar aan te treffen._ (Het was voor hem onverwacht.)
Is onze verwondering zeer groot, dan spreekt men van ~verbazen~. _Hij
had mij stellig beloofd thuis op mij te wachten; het ~verbaasde~ mij
dan ook niet weinig, dat hij bij mijn komst reeds vertrokken was._
Is er in hetgeen ons verwondert, iets vreemds (onverklaarbaars of
raadselachtigs) gelegen, dan gebruikt men ~bevreemden~; het heeft dus
in den regel een onaangename bijbeteekenis. _Het ~bevreemdde~ mij zeer,
dat hij zoo teruggehouden tegenover mij was; ik kon ten minste niet
vermoeden, dat ik hem iets misdaan had._
~Verrassen~ daarentegen gebruikt men, als het onverwachte ons aangenaam
aandoet. _De onverwachte bevordering heeft mij zeer ~verrast~._ (Men
zegt wel: _de dieven werden ~verrast~_, maar dan heeft verrassen de
beteekenis van overvallen, en is dus geen synoniem van de bovenstaande
woorden: zie no. 81.)
* * * * *
Het -- ons dikwijls, dat ontwikkelde menschen nog zoo vaak bijgeloovig
blijken.
Met zulk een practisch geschenk zult gij hem zeker --.
Het -- ons, dat in dat dorp alle huizen van hout waren.
Het geheimzinnig gedrag van onzen vriend -- ons.
Het bezoek van mijn vader heeft mij niet weinig --.
Heeft het u ook niet --, dat iemand, die zoo lang ons vertrouwen genoot,
ons zoo schandelijk heeft bedrogen?
Heeft het u ook niet --, dat hij die betrekking gekregen heeft?
Het -- iedereen, dat de vijanden zich eensklaps zoo gewillig
onderwierpen; niet ten onrechte vermoedde men, dat er een adder onder
het gras school.
Het -- mij, dat de hagel niet meer schade heeft aangericht.