51. Zeggen--spreken.

_Zich in woorden uiten._

~Spreken~ duidt in het algemeen het vermogen daartoe aan, zonder op de

beteekenis of den inhoud der woorden te letten. _De mensch kan

~spreken~._

~Zeggen~ heeft de bijgedachte, dat men iets wenscht mede te deelen door

middel van de spraak; het let dus vooral op den inhoud. _Hij ~zeide~,

dat hij spoedig terug kwam._ Vandaar komt ~zeggen~ altijd overgankelijk

voor, terwijl ~spreken~ ook onovergankelijk gebruikt wordt, bijv.: _Hij

~sprak~ zeer lang in die vergadering_ (d.w.z. hij voerde lang het

woord). _Men kan veel ~spreken~ en toch weinig ~zeggen~._

* * * * *

Ik zal je later wel eens --, waarom ik niet meega.

De redenaar -- zeer mooi.

Ik heb hem over die zaak --.

Ik heb hem het mijne van de zaak --.

Bij het -- moet gij niet te veel uw keel gebruiken.

Dat is een -- voorbeeld (d.w.z. het zwijgt niet, maar het spreekt).

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 60 / 279 题