_Zich in woorden uiten._
~Spreken~ duidt in het algemeen het vermogen daartoe aan, zonder op de
beteekenis of den inhoud der woorden te letten. _De mensch kan
~spreken~._
~Zeggen~ heeft de bijgedachte, dat men iets wenscht mede te deelen door
middel van de spraak; het let dus vooral op den inhoud. _Hij ~zeide~,
dat hij spoedig terug kwam._ Vandaar komt ~zeggen~ altijd overgankelijk
voor, terwijl ~spreken~ ook onovergankelijk gebruikt wordt, bijv.: _Hij
~sprak~ zeer lang in die vergadering_ (d.w.z. hij voerde lang het
woord). _Men kan veel ~spreken~ en toch weinig ~zeggen~._
* * * * *
Ik zal je later wel eens --, waarom ik niet meega.
De redenaar -- zeer mooi.
Ik heb hem over die zaak --.
Ik heb hem het mijne van de zaak --.
Bij het -- moet gij niet te veel uw keel gebruiken.
Dat is een -- voorbeeld (d.w.z. het zwijgt niet, maar het spreekt).